Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2026 waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen. De rechtbank beoordeelt het beroep buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb.
De beroepstermijn bedroeg een week en het beroepschrift had uiterlijk op 10 maart 2026 ontvangen moeten zijn. Het beroepschrift werd echter op 11 maart 2026 ingediend, waardoor het te laat was. De rechtbank vindt geen verschoonbare redenen voor deze termijnoverschrijding, ondanks dat eiser een professionele rechtsbijstandverlener had en een vertrektermijn van vier weken was opgelegd.
Daarnaast toetst de rechtbank aan de Bahaddar-toets of er bijzondere omstandigheden zijn die terugkeer naar Irak onaanvaardbaar maken. De rechtbank concludeert dat uit de aangevoerde feiten niet onmiskenbaar blijkt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.