ECLI:NL:RBDHA:2026:17877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705938 / FA RK 26-5254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 Wvggz
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortzetting crisismaatregel wegens onvoldoende onderbouwing alcoholafhankelijkheid

De rechtbank Den Haag behandelde op 1 juni 2026 het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een zorginstelling vanwege alcoholafhankelijkheid.

Betrokkene en haar advocaat stelden dat er geen noodzaak is voor gedwongen opname omdat zij bereid is vrijwillige behandeling te accepteren en inzicht heeft in haar situatie. De arts bevestigde dat betrokkene tijdens een eerdere opname goed abstinent bleef, maar na ontslag terugviel in alcoholgebruik, wat suïcidale gedachten deed toenemen. De partner van betrokkene gaf aan dat de situatie niet langer verantwoord is.

De rechtbank oordeelde dat de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater onvoldoende onderbouwt dat betrokkene voldoet aan de Hoge Raad-criteria voor een psychische stoornis die een gedwongen maatregel rechtvaardigt. Hoewel er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bij terugval, is betrokkene momenteel bereid tot vrijwillige zorg. Daarom is niet voldaan aan de criteria voor voortzetting van de crisismaatregel en wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de psychische stoornis.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/705938 / FA RK 26-5254
Datum beschikking: 1 juni 2026

Afwijzing machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel

Beschikkingnaar aanleiding van het op 28 mei 2026 door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie van [zorginstelling] te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.H.T. van Brunschot te Den Haag.

Procesverloop

Bij verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 27 mei 2026 genomen crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente [plaats 2] tot het nemen van de crisismaatregel;
  • een op 27 mei 2026 ondertekende medische verklaring van N. Sparreboom, psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de arts, [naam] ;
- de partner van betrokkene.
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Door en namens betrokkene is ter zitting naar voren gebracht dat zij haar situatie niet bagatelliseert. Betrokkene heeft lang gezocht naar de juiste hulp bij een passende instantie, maar raakte ontmoedigd door het lange zoekproces. Drie à vier weken geleden is betrokkene op vrijwillige basis opgenomen geweest. Destijds is gesproken over intensivering van de hulp en ondersteuning thuis. Voordat dit kon worden gerealiseerd, is betrokkene teruggevallen in alcoholgebruik als gevolg van toenemende spanningen. Op dit moment bestaat er geen noodzaak voor een gedwongen opname. Betrokkene heeft inzicht in haar situatie en wil vrijwillig langer in de accommodatie verblijven om verder te stabiliseren en afspraken te maken over het vervolg van de (ambulante) behandeling en nazorg. De advocaat stelt dat er momenteel onvoldoende sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Betrokkene heeft voorafgaand aan de opname geen suïcidepoging ondernomen en geen medicatie in combinatie met alcohol gebruikt. Daarnaast is sprake van bereidheid tot vrijwillige behandeling. Tijdens de vorige opname is ontslag in goed overleg verlopen en momenteel werkt betrokkene mee met de behandeling. De advocaat verzoekt daarom namens betrokkene om het verzoek af te wijzen.
De arts heeft ter zitting naar voren gebracht dat de vorige opname boven verwachtingen positief verliep. Het lukte betrokkene goed om abstinent van alcohol te blijven en in contact te komen met de behandelaren. Geprobeerd is om het contact in een ambulant kader voort te zetten, maar na enkele dagen kreeg zij een terugval in het alcoholgebruik. Het lukte betrokkene niet om de structuur aan te houden, waardoor zij alcohol dronk en de suïcidale gedachten weer toenamen.
Het doel van de huidige opname is om de zoektocht naar een passende behandelplek voort te zetten en abstinent van alcohol te blijven. Gebleken is dat een opname hiervoor goed werkt. Omdat het op momenten dat het niet goed gaat met betrokkene niet lukt om gezonde beslissingen te maken, is het proces voor een aanvraag van een zorgmachtiging gestart. Betrokkene kan namelijk last krijgen van stoorzenders die zeggen dat zij alcohol moet drinken of haar leven moet beëindigen.
De partner van betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat deze situatie voor hem en de kinderen niet langer verantwoord is en op deze wijze niet voortgezet kan worden. Hij steunt betrokkene in haar behandeling.

Beoordeling

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene vermoed wordt dat nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, te weten afhankelijkheid van alcohol. In de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater is echter niet onderbouwd dat sprake is van een zodanige verslaving dat deze voldoet aan de daaraan door de Hoge Raad gestelde eisen voor het juridisch kunnen vaststellen dat sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz.
In de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer terug te lezen in ECLI:NL:HR:2022:1433 en ECLI:NL:HR:2022:559) is volgens de Hoge Raad noodzakelijk dat de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring vaststelt en uitdrukkelijk vermeldt dat aan het volgende criterium is voldaan:

Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
De rechtbank is van oordeel dat in de medische verklaring onvoldoende is onderbouwd dat betrokkene min of meer een willoos werktuig is van haar stoornis, zoals door de Hoge Raad omschreven. De rechter mag dit niet zelf vaststellen. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een gebrek in de medische verklaring en deze niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
De rechtbank volgt niet het door de advocaat verwoorde standpunt dat geen sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.
De rechtbank is van oordeel dat hiervan wel degelijk sprake is op het moment dat betrokkene terugvalt in alcoholgebruik.
Tegelijkertijd is ter zitting gebleken dat momenteel betrokkene bereid is om zorg in een vrijwillig kader in de vorm van een opname te accepteren. Zij stemt in met een langer verblijf in de accommodatie en ziet momenteel ook de noodzaak om het patroon van terugval in de thuissituatie te doorbreken en dat daarvoor een langere behandeling noodzakelijk zal zijn.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door mr. A. Laverman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2026.