ECLI:NL:RBDHA:2026:17815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbWet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000Verordening 2024/1348/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met aanpassing beslistermijn

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 28 augustus 2025. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn is overschreden en dat belanghebbende verweerder tijdig in gebreke heeft gesteld en beroep heeft ingesteld.

De rechtbank ziet geen noodzaak om verweerder in persoon op te roepen of een zitting te houden, omdat belanghebbende zich beroept op algemene omstandigheden en geen specifieke feiten aandraagt. De rechtbank past het nieuwe 8+4-wekenmodel toe, waarbij na het horen binnen vier weken een besluit moet worden genomen, in afwijking van het eerdere 8+8-wekenmodel.

Verweerder wordt opgedragen binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van €467, gelet op de lichte aard van de zaak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twaalf weken een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.30135
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder heeft de mogelijkheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. [1]

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift gevraagd om de zaak op een zitting te behandelen en verweerder in persoon op te roepen. Belanghebbende wijst op de grote dwangsombedragen die worden uitgekeerd. Verweerder dient volgens belanghebbende op zitting uit te leggen hoe deze situatie is ontstaan en welke stappen hij onderneemt om te voorkomen dat het nog langer zal duren dat de termijnen uit de wet niet worden gehaald. Belanghebbende ziet af van een behandeling op zitting, tenzij verweerder in persoon wordt opgeroepen.
2. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op te roepen. Daarbij is van belang dat belanghebbende zich beroept op algemene omstandigheden en niet op specifieke omstandigheden die zijn zaak spelen. Belanghebbende heeft op 28 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend en het gaat om een eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Voor haar oordeelsvorming in deze zaak is oproeping van verweerder voor het geven van inlichtingen niet nodig en de rechtbank ziet ook geen ander daarmee te dienen doel. De rechtbank zal daarom verweerder niet in persoon oproepen. Belanghebbende heeft de rechtbank op 11 juni 2026 laten weten geen behoefte (meer) te hebben aan een zitting.
3. De beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?

4. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [2]
4.1.
De rechtbank stelt vast dat blijkens het dossier het nader gehoor nog niet is afgenomen. In een dergelijk geval legde deze rechtbank en zittingsplaats tot nu toe een termijn van zestien weken op, het zogenoemde 8+8-wekenmodel, voor het horen en beslissen. Deze termijn is volgens de Afdeling [3] passend. [4]
4.2.
Met ingang van 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact van toepassing geworden. Daarmee is de voornemenprocedure vervallen, nu de Procedureverordening [5] , die onderdeel uitmaakt van het Asiel- en migratiepact, deze stap niet kent. [6] Het vervallen van deze stap strekt tot vereenvoudiging en versnelling van de asielprocedure, mede gelet op de verkorte beslistermijnen van de Procedureverordening. [7]
4.3.
Dit geeft de rechtbank aanleiding het bestaande 8+8-wekenmodel te herzien. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft geen gevolgen voor de termijn van acht weken voor het horen, maar brengt wél mee dat na het gehoor sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. Daarom stelt de rechtbank de termijn voor het nemen van een besluit, nadat al is gehoord over de asielmotieven, vast op vier weken (8+4-wekenmodel). Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twaalf weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
5. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in aansluiting bij het landelijk beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder bij deze overschrijding een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank past het beleid toe zoals dat staat vermeld op rechtspraak.nl [8] en sluit zich niet aan bij de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht van 21 mei 2026. [9]
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om uiterlijk binnen maximaal twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Verordening 2024/1348/EU.
6.Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127.
7.TK 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
8.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
9.https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.