Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser maakte bezwaar tegen zijn ophouding op 22 maart 2026, die plaatsvond na een strafrechtelijke heenzending, omdat hij meende dat de ophouding geen legitiem doel diende en dat het proces-verbaal van ophouding onrechtmatig was vanwege het ontbreken van het proces-verbaal van heenzending en de latere ondertekening van het M105-A formulier.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding een legitiem doel had, namelijk het onderzoeken van de verblijfsrechtelijke positie van eiser, wat niet primair in het strafrechtelijke traject was vastgesteld. Het ontbreken van het proces-verbaal van heenzending was niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de vreemdelingrechtelijke ophouding, die op 22 maart 2026 om 12.55 uur begon.
Verder vond de rechtbank dat de latere ondertekening van het proces-verbaal van ophouding (M105-A) op 16 april 2026 niet leidde tot onrechtmatigheid, omdat het formulier een duidelijke feitelijke weergave gaf en eiser de inhoud niet betwistte.
Omdat geen van de beroepsgronden slaagde, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.