ECLI:NL:RBDHA:2026:17794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
704599
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 HnwArt. 1019i RvArt. 1019h RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handelsnaaminbreuk door gebruik vrijwel identieke handelsnaam en domeinnaam

In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat gedaagde wordt bevolen het gebruik van de handelsnaam te staken wegens inbreuk op het handelsnaamrecht. Eiser voert sinds juli 2020 een onderneming onder een handelsnaam met onderscheidend vermogen in de sector van elektrische vervoersmiddelen. Gedaagde is in februari 2026 opgericht en gebruikt een vrijwel identieke handelsnaam en domeinnaam voor soortgelijke producten.

Gedaagde betwist het gebruik van de handelsnaam en stelt dat de activiteiten worden gedreven door een zusteronderneming. De voorzieningenrechter acht dit onvoldoende aannemelijk en concludeert dat gedaagde wel degelijk onder de betwiste naam handelt. Tevens is vastgesteld dat de handelsnaam van eiser ouder is en onderscheidend vermogen bezit.

De rechtbank oordeelt dat de handelsnamen auditief en visueel nagenoeg volledig overeenkomen en dat gevaar voor verwarring bij het publiek bestaat. De vordering tot staking van het handelsnaamgebruik wordt toegewezen met een dwangsom en een termijn van vier weken. De vordering tot staking van het gebruik van de domeinnaam wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld het gebruik van de handelsnaam te staken binnen vier weken onder dwangsom en in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704599 / KG ZA 26-467
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam]te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A. Melsen,
tegen:
[gedaagde] B.V.te [vestigingsplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat mr. L. Varela te Rotterdam,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 mei 2026 met producties EP01 t/m EP16;
- de op 28 mei 2026 bij de griffie van deze rechtbank binnengekomen akte houdende producties van gedaagde, met producties GP01 t/m GP04;
- de op 28 mei 2026 ingediende producties EP17 en EP18;
- de brief van 28 mei 2026 van eiser met het verzoek tot aanhouding van de zitting;
- de brief van 28 mei 2026 van gedaagde met een reactie op het verzoek van eiser tot aanhouding van de zitting;
- de brief van de rechtbank van 28 mei 2026 waarin is bepaald dat de behandeling van het kort geding op 29 mei 2026 doorgang zal vinden;
- de op 29 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door gedaagde een pleitnotitie is overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 22 juli 2020 een eenmanszaak opgericht met de handelsnaam [eiser] en houdt zich blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) bezig met het aanbieden van elektrische vervoersmiddelen, waaronder fietsen, scooters en steppen. [eiser] heeft een fysieke winkel in [plaats 1] en een webwinkel onder de domeinnaam [domeinnaam 1].
2.2.
[naam] is via de vennootschap [vennootschap 1] B.V. (indirect) enig aandeelhouder/bestuurder van [vennootschap 2] B.V. (opgericht op 18 oktober 2023) en [gedaagde] (opgericht op 18 februari 2026). Voornoemde vennootschappen zijn alle gevestigd op het adres [adres] in [vestigingsplaats].
2.3.
Sinds juni 2025 worden onder de naam [merknaam] fatbikes verkocht, zowel in een fysieke winkel in [plaats 2] als via een webshop onder de domeinnaam [domeinnaam 2]. De registratie van de domeinnaam vermeldt als houder van de domeinnaam ‘[gedaagde]’.
2.4.
[eiser] heeft in augustus 2025 telefonisch contact opgenomen met de onderneming [gedaagde] en met [naam] gesproken. [eiser] heeft hem verzocht de naam [gedaagde] te wijzigen. Hierop heeft [naam] afwijzend gereageerd.
2.5.
[gedaagde] is op 18 februari 2026 opgericht en houdt zich blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de KvK bezig met het aanbieden van elektrische vervoersmiddelen, waaronder fietsen, fatbikes en steppen.
2.6.
In een aangetekende brief van 5 maart 2026 gericht aan [gedaagde] ter attentie van [naam] (ook per e-mail toegezonden aan [e-mailadres]) heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd haar handelsnaam te wijzigen, omdat deze inbreuk maakt op haar handelsnaam [eiser]. Op deze brief is door [gedaagde] noch [naam] gereageerd.
2.7.
[eiser] heeft [gedaagde] vervolgens gedagvaard. De dagvaarding is op 13 mei 2026 betekend door uitreiking aan [naam] in persoon.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te bevelen het gebruik van de naam [gedaagde] te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 200.000,-;
[gedaagde] te bevelen ieder gebruik van de domeinnaam [domeinnaam 2] te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 200.000,-;
de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv te stellen op zes maanden;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] maakt inbreuk op de handelsnaam van [eiser] in de zin van artikel 5 Hnw Pro [1] , door de handelsnaam [gedaagde] te voeren, die slechts in geringe mate afwijkt van de oudere handelsnaam [eiser]. Hierdoor ontstaat bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen, mede doordat de aard van hun bedrijfsactiviteiten (voor een deel) overeenkomt en het werkgebied van beide ondernemingen zich uitstrekt over heel Nederland.
Daarnaast voert [eiser] aan dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar handelsnaam door het gebruik van de domeinnaam [domeinnaam 2], die in het handelsverkeer tevens wordt gebruikt als naam waaronder de onderneming wordt aangeduid.
3.3.
[gedaagde] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen en verzoekt [eiser] niet-ontvankelijkheid te achten in haar vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de redelijke en evenredige proceskosten van [gedaagde] op grond van artikel 1019h Rv.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu het gebruik van de handelsnaam [gedaagde] niet is gestaakt, zodat de gestelde handelsnaaminbreuk voortduurt, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Het spoedeisend belang is door [gedaagde] ook niet bestreden.
Gebruik handelsnaam [gedaagde] door [gedaagde]
4.2.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat zij de handelsnaam [gedaagde] niet voert, zodat de vordering dient te worden afgewezen. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de advocaat van [gedaagde] aangevoerd, dat de onderneming [gedaagde] wordt gedreven door de zusteronderneming [vennootschap 2] B.V. Dit volgt onder meer uit de vermelding van het kvk-nummer van laatstgenoemde vennootschap op de contactpagina van [domeinnaam 2] en in de algemene voorwaarden. [gedaagde] is opgericht na aanvang van de handelsactiviteiten onder de naam [gedaagde] door [vennootschap 2] B.V., maar deze vennootschap verricht nog geen activiteiten in het handelsverkeer. Er wordt nog nagedacht over de structuur van de vennootschappen en welke activiteiten in welke vennootschap worden ondergebracht, aldus [gedaagde]
4.3.
Het verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat [vennootschap 2] B.V. begonnen is met de onderneming onder de handelsnaam [gedaagde] en haar KvK-nummer ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op de website staat vermeld en ogenschijnlijk nog gebruikt maakt van deze naam in het handelsverkeer, kan op zich niet leiden tot de conclusie dat [gedaagde] geen onderneming drijft onder deze naam. Zeker nu de vennootschappen tot dezelfde groep behoren en de vennootschappen dezelfde (indirect) bestuurder hebben, kunnen deze vennootschappen ieder een eigen rol hebben binnen de onderneming [gedaagde] en zich van deze naam bedienen in het handelsverkeer. [eiser] heeft terecht gewezen op de domeinnaamregistratie van [domeinnaam 2] op naam van ‘[gedaagde]’. Dat dit – gelet op de registratiedatum die ouder is dan de oprichtingsdatum van [gedaagde] – de handelsnaam zou betreffen (van [vennootschap 2] B.V.) en niet [gedaagde] betreft, heeft [gedaagde] vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit geldt temeer nu uit de domeinnaamregistratie volgt dat er een wijziging in de registratie heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026, vlak na de oprichting van [gedaagde] In het licht daarvan is de blote ontkenning van het gebruik van de handelsnaam door [gedaagde] onvoldoende. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee, dat [gedaagde] niet op correspondentie van [eiser] heeft gereageerd, ook niet nadat de dagvaarding reeds op 19 april 2026 aan de (indirect) bestuurder in persoon is uitgereikt, de (indirect) bestuurder vervolgens twee dagen voor de zitting een advocaat laat benaderen en laat instrueren en de (indirect) bestuurder zelf niet op de zitting is verschenen om vragen over de onderneming [gedaagde] en de door hem opgezette bedrijfsstructuur te beantwoorden.
Dit alles in onderling verband en samenhang bezien maakt dat de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk acht dat [gedaagde] de houder is van de domeinnaam [domeinnaam 2] en - omdat op de website fatbikes worden aangeboden onder de naam [gedaagde] – aan het handelsverkeer deelneemt onder de naam [gedaagde].
Handelsnaaminbreuk
4.4.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of [gedaagde] met het voeren van de handelsnaam [gedaagde] inbreuk maakt op de handelsnaamrechten van [eiser].
4.5.
Op grond van artikel 5 Hnw Pro is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, indien dientengevolge, gelet op de aard en plaats van beide ondernemingen, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. Wanneer de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, geldt het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, in hoeverre, bij het relevante publiek (directe of indirecte) verwarring te duchten is, dient het algemene belang betrokken te worden. Dat ziet op het belang dat aanduidingen die beschrijvend zijn voor de aard van een onderneming of van de door haar geleverde waren of diensten, door eenieder vrij moeten kunnen worden gebruikt. Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van – intrinsiek aan de naam verbonden of door bekendheid bij het publiek verworven – onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam. [2]
4.6.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in de periode 2020 tot en met 2024 feitelijk gebruik heeft gemaakt van de handelsnaam [eiser]. Het overleggen van de inschrijving in de KvK en de registratie van de domeinnaam zegt immers nog niets over het gebruik van die naam. De overgelegde schermafbeeldingen van de website en social media dateren alle van na de datum waarop de onderneming [gedaagde] is gestart, aldus [gedaagde]
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands voldoende is gesteld omtrent de aanvangsdatum van de onderneming onder de naam [eiser]. Hoewel deze stelling bij de dagvaarding summier is onderbouwd, was op dat moment ook geen verweer op dit punt bekend. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, heeft [gedaagde] immers tot de mondelinge behandeling nergens op gereageerd. Eerst op zitting heeft zij betwist dat [eiser] over een oudere handelsnaam beschikt, welke betwisting is gebaseerd op het ontbreken van stukken daaromtrent aan de zijde van [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de eigenaar van [eiser] desgevraagd verteld over de ontstaansgeschiedenis van de onderneming, dat hij rond corona zijn werkzaamheden in loondienst heeft beëindigd en hij eind 2020 het pand kon huren, waarin zijn winkel nog steeds is gevestigd. De advocaat van [eiser] heeft toegelicht, dat de opening van de winkel (21 juli 2021) in mei 2021 is aangekondigd op het Instagram account van [eiser], hetgeen nog steeds kan worden ingezien. Het bezwaar dat de advocaat van [gedaagde] tegen de nieuwe informatie heeft gemaakt, snijdt geen hout. Dat deze nieuwe feiten naar voren worden gebracht, is immers een gevolg van het door [gedaagde] pas op de mondelinge behandeling opgeworpen verweer. In het kader van dit kort geding gaat de voorzieningenrechter er dus van uit dat sinds juli 2020 de onderneming onder de naam [eiser] wordt gedreven.
4.8.
[gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] sterk beschrijvend is in de elektrische mobiliteitssector (‘[naamgedeelte 1]’ verwijst naar elektriciteit, ‘[naamgedeelte 2]’ naar wielen/vervoersmiddelen/fietsen), dus een handelsnaam zonder onderscheidend vermogen. [eiser] heeft dit betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] geen zuiver beschrijvende naam is. Uit de naam zelf valt niet direct of indirect af te leiden welke diensten [eiser] aanbiedt dan wel welke producten zij verkoopt. Dat de bestanddelen indirect verwijzen naar kenmerken van de producten is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat [eiser] een handelsnaam is met onderscheidend vermogen.
4.9.
De aard van de ondernemingen komt overeen. De kernactiviteit van beide ondernemingen is de (online) verkoop van elektrische voertuigen met twee wielen.
4.10.
Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben een fysieke winkel (in [plaats 1] respectievelijk in [plaats 2]) en een webwinkel. Nu deze webwinkels zich richten op heel Nederland (de levering is niet beperkt tot een bepaald deel van Nederland) speelt de in artikel 5 Hnw Pro als relevante omstandigheid genoemde plaats van vestiging van de betrokken ondernemingen geen rol. Dat op de website van [eiser] staat dat zij ‘dé eBike specialist van [provincie]’ is, ziet eerder op de vestigingplaats (gelegen in [provincie]) dan op het werkgebied.
4.11.
Ten aanzien van de vergelijking van de handelsnaam [eiser] met de handelsnaam [gedaagde] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Beide handelsnamen bestaan uit twee samengestelde delen, waarvan het eerste deel ([naamgedeelte 1]) gelijk is en het tweede deel ([naamgedeelte 2] / [naamgedeelte 2]) voor wat betreft de eerste vier letters gelijk is en alleen bij [gedaagde] een vijfde letter (z) aan het tweede deel is toegevoegd. Dit betekent dat de klank van het tweede deel iets afwijkend is nu er bij [gedaagde] nog een (z) achteraan komt. Dit verschil in uitspraak is echter ondergeschikt aan het overeenstemmende eerste en tweede deel en in hun geheel bezien, komen de handelsnamen auditief nagenoeg volledig overeen. Visueel stemmen de handelsnamen in zeer grote mate overeen. De volledige handelsnaam, bestaande uit 9 letters, van [eiser] is overgenomen in de handelsnaam [gedaagde], waarbij de spatie ontbreekt en de ‘z’ is toegevoegd. In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de handelsnaam die [gedaagde] voert slechts in zeer geringe mate afwijkt van de handelsnaam van [eiser]. Ook begripsmatig komen de namen overeen.
4.12.
Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat gevaar voor verwarring tussen beide ondernemingen te duchten is bij het publiek.
Vorderingen
4.13.
Nu de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat sprake is van handelsnaaminbreuk in de zin van artikel 5 Hnw Pro, heeft [eiser] belang bij de gevorderde veroordeling tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van de handelsnaam [gedaagde], zodat de vordering wordt toegewezen. Nu dit reeds ieder gebruik van [gedaagde] als handelsnaam omvat (dus ook in de vorm van een domeinnaam), zal het onder 2. gevorderde – het staken van ieder gebruik van de domeinnaam – bij gebrek aan belang worden afgewezen.
4.14.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal echter wel worden gematigd en gemaximeerd.
4.15.
De termijn waarbinnen [gedaagde] het gebruik van de handelsnaam [gedaagde] moet staken, zal – om executiegeschillen te voorkomen – worden bepaald op vier weken na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten zoals bedoeld in artikel 1019h Rv, en heeft ter onderbouwing van deze vordering haar kosten gespecificeerd tot een bedrag van € 8.314,-.
4.17.
Deze zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv Pro. Om de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, sluit de voorzieningenrechter aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie /normaal kort geding met een maximumtarief van € 18.000,-. Het door [eiser] gespecificeerde bedrag overstijgt dit bedrag niet en zal dan ook worden toegewezen. Het bedrag voor salaris advocaat van € 8.314,- wordt verhoogd met € 735,- aan griffierecht en € 155,67 aan deurwaarderskosten en de nakosten van € 189,-, waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 9.393,67 (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening zoals vermeld in de beslissing).
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
beveelt [gedaagde] binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gebruik van de handelsnaam [gedaagde] te staken en gestaakt te houden;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 2.500,-voor iedere dag of gedeelte ervan dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan het onder 5.1 opgenomen bevel te voldoen, met een maximum van € 150.000,-.
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.393,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Handelsnaamwet.
2.Hoge Raad 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269 (Doc Dairy partners / Dairy partners)