ECLI:NL:RBDHA:2026:17776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/7864, SGR 24/7865, SGR 24/7866, SGR 24/7867, SGR 24/7868
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van bezwaren tegen terugvorderingen NOW-regelingen bevestigd

Eiseres maakte bezwaar tegen vijf besluiten van het UWV waarin terugvorderingen werden opgelegd voor voorschotten ontvangen onder de NOW-regelingen (NOW-1, NOW-2 en NOW-3). Het UWV verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat deze te laat waren ingediend. Eiseres stelde dat haar boekhouder de bezwaarschriften tijdig online had ingediend, maar kon dit niet onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaartermijn van zes weken was overschreden en dat eiseres geen bijzondere omstandigheden had gesteld die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de beoordeling van termijnoverschrijdingen en benadrukte dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor tijdige indiening, ook als de boekhouder tekortschiet.

De rechtbank concludeerde dat het UWV de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaarde de beroepen ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak is gedaan door rechter M.P. Verloop op 1 juli 2026.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren tegen de terugvorderingen NOW zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/7864, SGR 24/7865, SGR 24/7866, SGR 24/7867, SGR 24/7868

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], handelend onder de naam [handelsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Grasmeijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkheidverklaring van de bezwaren van eiseres tegen vijf besluiten. Eiseres is het daar niet mee eens. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of deze besluiten juist zijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus ongelijk en haar beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2.1.
Bij besluit van 18 november 2021 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv bepaald dat eiseres recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1, eerste tranche), periode maart, april en mei 2020 van € 2.371,- en het teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 593,- van eiseres teruggevorderd.
2.2.
Bij besluit van 19 oktober 2022 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv het betaalde voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2, tweede tranche), periode juni, juli, augustus en september 2020, ten bedrage van € 1.700,- van eiseres teruggevorderd.
2.3.
Bij besluit van 8 mei 2023 (het primaire besluit 3) heeft het Uwv het betaalde voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3, derde tranche), periode oktober, november en december 2020, ten bedrage van € 3.111,- van eiseres teruggevorderd.
2.4.
Bij besluit van 9 mei 2023 (het primaire besluit 4) heeft het Uwv het betaalde voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3, vierde tranche), periode januari, februari en maart 2021, ten bedrage van € 3.672,- van eiseres teruggevorderd.
2.5.
Bij besluit van 10 mei 2023 (het primaire besluit 5) heeft het Uwv het betaalde voorschot voor de tegemoetkoming op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3, vijfde tranche), periode april, mei en juni 2021, ten bedrage van € 2.937,- van eiseres teruggevorderd.
2.6.
Bij beslissingen op bezwaar van 15 augustus 2024 (de bestreden besluiten 1 t/m 5, hierna: de bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 t/m 5 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren te laat zijn ingediend.
2.7.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
2.8.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Ook was de partner van eiseres aanwezig.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert aan dat zij de financiële administratie had uitbesteed aan haar boekhouder en hij verantwoordelijk was voor het indienen van de aanvragen. Volgens eiseres heeft haar boekhouder het bezwaarschrift tijdig online ingediend. Met betrekking tot het primaire besluit 1 stelt eiseres dat zij zich neerlegt bij de terugvordering en het niet de bedoeling is dat hierop wordt teruggekomen.

Standpunt verweerder

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend en er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Van een online ingediend bezwaarschrift is het Uwv niet gebleken.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres heeft ter zitting haar beroep voor zover dat ziet op het primaire besluit 1 (NOW-1, eerste tranche) ingetrokken. Dat betekent dat de rechtbank daarover geen oordeel hoeft te geven.
6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] In dit geval is het bezwaarschrift tegen de primaire besluiten 2 t/m 5 ontvangen op 24 mei 2024 en dat is te laat. Eiseres heeft niet aangetoond dat de boekhouder op tijd online een bezwaarschrift heeft ingediend. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat niet eerder dan op 24 mei 2024 bezwaar is gemaakt.
6.2.
In een uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. [4] In hoofdlijnen, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, komen de nieuwe uitgangspunten op het volgende neer.
6.3.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
6.4.
Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen.
6.5.
Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen.
6.6.
Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of een andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan.
6.7.
Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld. [5]
7. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het niet is gelukt om eerder een bezwaarschrift in te dienen, omdat een medewerker van het Uwv had gezegd dat dat alleen online kon en het systeem niet werkte. Dat eiseres en/of haar boekhouder eerder een bezwaarschrift heeft ingediend, of wilde indienen maar dit niet mogelijk bleek, blijkt echter niet uit het dossier en heeft eiseres ook niet onderbouwd. Dat het bezwaarschrift alleen online kon worden ingediend, kan de rechtbank ook niet volgen. In de primaire besluiten staat beschreven dat een bezwaarschrift zowel online als schriftelijk kan worden ingediend. Ook staat erin binnen welke termijn bezwaar kon worden gemaakt. Als het eiseres of haar boekhouder niet lukte om online een bezwaarschrift in te dienen, had zij of de boekhouder dat schriftelijk kunnen doen. Dat de boekhouder wellicht zijn zaken niet op orde had, maakt het voorgaande niet anders. Eiseres blijft namelijk zelf verantwoordelijk voor het op tijd indienen van een bezwaarschrift. Eiseres heeft verder geen omstandigheden gesteld op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.
8. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
10. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:935.