ECLI:NL:RBDHA:2026:1775

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
SGR 24/5689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 2.12 WaboArt. 3.1 Bestemmingsplan NijverheidscentrumArt. 3.2.2 Bestemmingsplan NijverheidscentrumArt. 3.5.1 Bestemmingsplan Nijverheidscentrum
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening omgevingsvergunning bedrijfsverzamelgebouw Zuidplas

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen de verlening van twee omgevingsvergunningen door het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas aan vergunninghoudster voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw. De vergunningen betroffen een eerste besluit van 8 maart 2021 en een wijzigingsbesluit van 3 augustus 2023. Eiseres, gevestigd op een naastgelegen perceel, voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder bezwaren tegen de parkeernorm, de situering van het achterste gebouw binnen de bestemming 'Verkeer', en de brandveiligheid.

De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was de vergunningen te verlenen en dat de bezwaren van eiseres onvoldoende waren onderbouwd. De rechtbank volgde het college in de uitleg dat de parkeernorm niet gebaseerd hoeft te zijn op de functie 'bedrijfsverzamelgebouw' maar op de feitelijke kenmerken van de zelfstandige bedrijfsunits. Ook werd geoordeeld dat de afwijking van het bestemmingsplan voor het achterste gebouw op basis van de kruimelgevallenregeling ruimtelijk aanvaardbaar is. De beroepsgrond over brandveiligheid werd deels buiten behandeling gelaten wegens het relativiteitsvereiste, maar de inhoudelijke beoordeling wees uit dat voldaan is aan de eisen.

De rechtbank passeerde een gebrek in de motivering van een voorschrift met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat dit geen nadeel voor eiseres oplevert. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verlening van de omgevingsvergunningen wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens)
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas,

(gemachtigde: mr. J. Meijer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.uit Rotterdam (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. A.M.M. Ferwerda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het bouwen van een bedrijfsverzamelcomplex aan de [adres] bij besluit van 8 maart 2021, gewijzigd bij besluit van 3 augustus 2023. Eiseres is gevestigd op een naastgelegen perceel en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunningen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen heeft mogen verlenen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 8 maart 2021 is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw, bestaande uit één gebouw aan de voorzijde van het perceel en één gebouw aan de achterzijde van het perceel (omgevingsvergunning I).
2.1.
Bij besluit verzonden op 6 juli 2021 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft het college, naar aanleiding van een aanvraag van vergunningshoudster van 13 maart 2023, een omgevingsvergunning verleend die voorziet in wijziging van de op 8 maart 2021 verleende omgevingsvergunning (omgevingsvergunning II).
2.3.
Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 [1] is het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 juli 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 6 juni 2021 vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw.
2.4.
Bij het bestreden besluit van 24 mei 2024 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen zowel omgevingsvergunning I als omgevingsvergunning II ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Daar is [naam 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] .

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Omgevingsvergunning II voorziet in een verlaging en geringe verbreding van het achterste gebouw, de toevoeging van een aantal ramen in de zijgevel van het voorste gebouw, en in de realisatie van tien extra parkeerplaatsen. Omdat het achterste gebouw gedeeltelijk binnen de bestemming “Verkeer” is voorzien, heeft het college besloten tot afwijking van het bestemmingsplan op basis van de zogeheten kruimelgevallenregeling. [2] Met omgevingsvergunning II is mede beoogd om tegemoet te komen aan omissies, die na het nemen van het beslissing op bezwaar van 6 juli 2021 waren gebleken.
3.1.
Met het bestreden besluit is, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2023, ook opnieuw beslist op de bezwaren van eiseres tegen omgevingsvergunning I.
De betekenis van de vorige rechtbankuitspraak in deze procedure
4. Het bestreden besluit is een (vervolg)besluit dat is genomen in de procedure over het bouwplan die heeft geleid tot de rechtbankuitspraak van 26 september 2023.
4.1.
Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld. De zogenoemde Brummen-rechtspraak [3] brengt mee dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, als in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, tot gevolg heeft dat de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond rechtvaardigen. [4]
4.2.
In de uitspraak van 26 september 2023 heeft de rechtbank de beroepsgronden van eiseres over de hoogte van het voorste gebouw en over verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties als gevolg van laad- en losactiviteiten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. [5] Er zijn geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van deze beroepsgronden rechtvaardigen. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze opnieuw door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvragen om de omgevingsvergunningen zijn vóór 1 januari 2024 ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
5.1.
Op het perceel rusten op grond van het bestemmingsplan “Nijverheidscentrum” (bestemmingsplan) de bestemmingen “Bedrijf” en “Verkeer”.
5.2.
Het is vaste rechtspraak dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [6]
5.3.
De toepasselijke wettelijke regels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het aan omgevingsvergunning II verbonden voorschrift over gebruik van de gebouwen
6. Eiseres betoogt dat het college het bij het bestreden besluit opgenomen voorschrift over wijziging van gebruik niet aan omgevingsvergunning II mocht verbinden, omdat het geen doel- en/of middelvoorschrift is. Verder stelt zij dat WeCargo een commerciële dienstverlener is, zodat daarom al sprake is van strijd met het voorschrift.
6.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Het in het bestreden besluit opgenomen voorschrift strekt er – samengevat – toe dat zonder omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt van de gebouwen voor functies die het bestemmingsplan niet toestaat en ook niet voor functies die gelet op de ‘Nota parkeernormen 2019’ (Nota parkeernormen) van de gemeente Zuidplas een hogere parkeernorm hebben dan de door het college in aanmerking genomen functies. Het college heeft dit voorschrift onder meer opgenomen om te voorkomen dat vanwege de term ‘eventueel toekomstig kantoor’ ook functies worden toegestaan die in strijd zijn met het bestemmingsplan.
6.2.
Op zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het voorschrift ten overvloede is gesteld, omdat het voorschrift niets toevoegt aan de verplichtingen die op grond van het bestemmingsplan gelden. De rechtbank stelt vast dat gebruik als zelfstandig kantoor binnen de bestemming “Bedrijf” als verboden gebruik is aangemerkt. [7] Met de aanduiding ‘eventueel toekomstig kantoor’ op de plattegronden van de omgevingsvergunningen wordt niet in een toestemming voor dat gebruik voorzien. Dat geldt ook voor unit D, die volgens eiseres geschikt is voor gebruik als zelfstandig kantoor. Verder heeft het college op zitting toegelicht dat handhavend zal worden opgetreden wegens strijd met het bestemmingsplan, als een bedrijfsunit als zelfstandige kantoorruimte zou worden gebruikt.
6.3.
Omdat er in het bestreden besluit van wordt uitgegaan dat het voorschrift noodzakelijk is om te voorkomen dat er functies worden toegestaan die in strijd zijn met het bestemmingsplan, is dat besluit in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres niet wordt benadeeld door het gestelde voorschrift.
6.4.
Het betoog van eiseres dat bedrijfsruimte voor WeCargo als commerciële dienstverlener niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan, slaagt niet. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat WeCargo een koeriersdienst is die valt onder categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en daarmee is toegelaten binnen de bestemming “Bedrijf”. Overigens heeft vergunninghoudster erop gewezen dat WeCargo zich elders zal vestigen, vanwege het tijdsverloop sinds de oorspronkelijke aanvraag.
Wordt voldaan aan de parkeernormen?
a.
a) Functie bedrijfsverzamelgebouw als uitgangspunt voor parkeernorm?
7. Eiseres betoogt dat bij de berekening van de parkeernorm ten onrechte niet de functie van bedrijfsverzamelgebouw uit de Nota parkeernormen als uitgangspunt wordt gehanteerd. In de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen is vermeld dat een bedrijfsverzamelgebouw wordt beoogd. De vergunde bedrijfsruimten delen ook voorzieningen, zoals een parkeerterrein en een dak. Ook is sprake van één brandcompartiment per gebouw, aldus eiseres. Daarom had bij de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw moeten worden aangesloten. Op grond van die parkeernorm zijn 46 parkeerplaatsen benodigd, in plaats van de voorziene 44 parkeerplaatsen.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verzameling bedrijfsgebouwen. De benaming ‘bedrijfsverzamelgebouw’ in de aanvraag en in de verleende omgevingsvergunning is volgens het college niet doorslaggevend bij het bepalen van de parkeerbehoefte. Uit de aanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen blijkt dat sprake is van zelfstandige units met eigen voorzieningen. Er zijn geen gedeelde voorzieningen, zoals een receptie. Daarom moet voor de berekening van de parkeernorm worden aangesloten bij de parkeernormen voor een bedrijf dat arbeids- en bezoekersextensief is en niet bij de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw, als bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor de niet-zelfstandige kantoren op de verdiepingen is de parkeernorm voor zelfstandige kantoren gehanteerd. Op basis van deze parkeernormen is de parkeerbehoefte 39 parkeerplaatsen, terwijl 44 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
7.2.
Vergunninghoudster brengt naar voren dat wordt voorzien in zelfstandige bedrijfsunits, voor bedrijven tot en met categorie 2. De units zijn met name geschikt voor bijvoorbeeld glaszetters en stukadoors, en voor de opslag van goederen en materialen. Het gaat om bedrijven die arbeids- en bezoekersextensief zijn.
7.3.
De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat de vermelding van ‘bedrijfsverzamelgebouw’ in de aanvraag en op tekeningen, niet betekent dat het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte ook moet uitgaan van de parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw als bedoeld in de Nota parkeernormen. Voor de toe te passen parkeernorm zijn de kenmerken van het bouwplan en het vergunde gebruik doorslaggevend. Gelet op de kenmerken van de bedrijfsunits, zoals een begane grond met een plafondhoogte van tussen de 4 en 6 meter en de mogelijkheid van niet-zelfstandige kantoorruimte op de verdieping, kan de rechtbank het college ook volgen in het standpunt dat de zelfstandige units geschikt zijn voor arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven. Het college heeft daarom voor het voor opslag bestemde gedeelte van bedrijfsunits kunnen aansluiten bij de parkeernorm voor de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Voor zover het om de vergunde niet-zelfstandige kantoorruimte op de verdiepingen gaat, overweegt de rechtbank dat voor de parkeernorm is aangesloten bij de norm voor (zelfstandige) kantoren. De rechtbank acht het aannemelijk dat, zoals door het college en vergunninghoudster gesteld, zelfstandige kantoren een grotere parkeerbehoefte kennen dan niet-zelfstandige kantoren. Door uit te gaan van de norm voor zelfstandige kantoren in de situatie dat alleen niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan, wordt de parkeerbehoefte voor de kantoren op de verdiepingen dus niet onderschat.
7.4.
Voor de functie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ geldt op grond van de Nota parkeernormen een norm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Voor de functie kantoren is dat 2,3 parkeerplaats van per 100 m2. Het bvo van de begane grond van de bedrijfsunits is in totaal 1.130 m2, waarvoor 14,69 parkeerplaatsen zijn benodigd (11,3 * 1,3 = 14,69). Het bvo van de niet-zelfstandige kantoren op de verdiepingen is 1.070 m2. Dat betekent dat daarvoor 24,61 parkeerplaatsen zijn benodigd
(10,7 * 2,3 = 24,61). In totaal levert dat een parkeerbehoefte op van 39,3 parkeerplaatsen. Omdat op grond van de omgevingsvergunning 44 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, is het college op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen en dat daarmee wordt voldaan aan het bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeren”. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat – zoals eiseres betoogt – niet alle verdiepingsvloeren zijn betrokken in de vaststelling van de bvo. Verder ziet de rechtbank in de stelling van eiseres dat de berekening van de parkeerbehoefte moet worden gebaseerd op een berekening van de bvo per bedrijfsunit en niet op een berekening van de totale bvo van de vergunde functies, geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de door het college gehanteerde parkeerberekening onjuist is. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de door haar gevolgde berekeningswijze moet worden gevolgd op grond van de Nota parkeernormen en dat is de rechtbank ook niet gebleken.
7.5.
Zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen, is gebruik als zelfstandig kantoor in strijd met het bestemmingsplan en ook niet met de omgevingsvergunningen vergund. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar betoog dat vanwege de term ‘eventueel toekomstig kantoor’ van een grotere parkeerbehoefte had moeten worden uitgegaan.
b) Afmeting en situering van parkeerplaatsen
7.6.
Eiseres betoogt dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 2443:2013. In de omgevingsvergunning wordt ten onrechte uitgegaan van parkeerplaatsen van 5 meter lang, omdat haakse parkeerplaatsen 5,13 meter lang moeten zijn.
7.7.
Het college brengt naar voren dat de bruikbaarheid en veiligheid van de parkeerplaatsen is beoordeeld door een verkeerskundige van de gemeente Zuidplas. De norm NEN 2443:2013 geldt daarbij als richtlijn. Dit resulteert in een afmeting van 2 bij 6 meter voor langsparkeerplaatsen en van 2,5 bij 5 meter voor insteekparkeerplaatsen.
7.8.
Vergunninghoudster stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond, omdat het bepaalde in
NEN 2443:2013 niet strekt tot bescherming van de belangen van eiseres. Verder wijst vergunninghoudster erop dat deze bepalingen gelden als richtlijn. De te realiseren parkeerplaatsen zijn voldoende bereikbaar en voldoende bruikbaar.
7.9.
De rechtbank volgt vergunninghoudster niet in haar standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond, omdat de afmetingen van niet-openbare parkeerplaatsen alleen relevant zijn voor de gebruikers van die parkeerplaatsen. Daartoe wordt overwogen dat niet valt uit te sluiten dat eiseres als gebruiker van het naastgelegen perceel overlast zou kunnen ondervinden van een situatie waarin de voorziene parkeerplaatsen vanwege de afmetingen daarvan niet volledig kunnen worden benut.
7.10.
De rechtbank overweegt verder dat in artikel 4.3 van de Nota parkeernormen een parkeerplaats als volgt wordt gedefinieerd:

Waar in deze Nota Parkeernormen 2019 gesproken wordt over een parkeerplaats voor auto’s betreft het een ruimte conform (onder andere bouweisen) ‘NEN 2443:2013 Parkeren en stallen van personenauto's op terreinen en in garages’, publicatie Nederland Normalisatie-instituut, d.d. maart 2013 en de CROW-publicatie ASVV 2012 voor parkeerplaatsen in de openbare ruimte (langs straten e.d.).
(…)
De inrichting van parkeervoorzieningen wordt door een verkeerskundige van de gemeente Zuidplas beoordeeld op bruikbaarheid en veiligheid.”
7.11.
Uit de omstandigheid dat in de Nota parkeernormen voor de definitie van een parkeerplaats onder meer wordt verwezen naar NEN 2443:2013, volgt niet dat ook voor wat betreft afmetingen van parkeerplaatsen aan het bepaalde in die NEN-norm moet worden voldaan. Dat zou dan in de Nota parkeernormen moeten zijn bepaald. [8] Daarom volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat NEN 2443:2013 voor wat betreft de afmetingen van parkeerplaatsen geldt als richtlijn.
7.12.
Het betoog van eiseres dat er onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn vanwege laden en lossen van vrachtwagens op het eigen terrein, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat parkeerplaatsen 1 t/m 7 moeten vervallen om ruimte te bieden aan laden en lossen van vrachtwagens. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de langsparkeerplaatsen op het perceel feitelijk niet kunnen worden gerealiseerd vanwege een te planten groenhaag.
c) De breedte van de weg
7.13.
Eiseres betoogt dat bij parkeerplaatsen met een vakbreedte van 2,5 meter de weg minimaal 5,66 meter breed moet zijn. Eiseres verwijst naar paragraaf 4.3 van de Nota parkeernormen en naar een tabel met parkeerwegbreedtes, variërend van 5,66 tot
7 meter.
7.14.
Het college stelt zich op het standpunt dat de diepte van de bedrijfsunits op het achterste gedeelte van het perceel ten opzichte van de eerder verleende vergunning is verkort. Daardoor is sprake van een wegbreedte van 5,50 meter ter plaatse van de insteekparkeerplaatsen en dat is voldoende.
7.15.
De rechtbank overweegt dat de wegbreedte niet is voorgeschreven in de Nota parkeernormen en dat de door eiseres in de nadere gronden opgenomen tabel met parkeerwegbreedtes daar ook geen onderdeel van uitmaakt. In lijn met wat hiervoor is overwogen over de verwijzing naar NEN 2443:2013, is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres bedoelde afmetingen van parkeerweg alleen als bindende norm zou kunnen gelden als daar in de Nota parkeernormen expliciet naar wordt verwezen. Verder overweegt de rechtbank dat een verkeersdeskundige de inrichting van het parkeerterrein heeft beoordeeld en dat eiseres niet heeft onderbouwd dat een wegbreedte van 5,50 meter niet volstaat.
7.16.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college afwijken van het bestemmingsplan voor het achterste gebouw?
8. Eiseres betoogt dat het achterste gebouw nog steeds in strijd is met het bestemmingsplan omdat het op het deel van het terrein staat waarop de bestemming “Verkeer” rust.
8.1.
De rechtbank overweegt dat omgevingsvergunning II voorziet in afwijking van het bestemmingsplan op basis van de zogeheten kruimelgevallenregeling, voor zover het achterste gebouw binnen de bestemming “Verkeer” is voorzien. Het college acht die afwijking van het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar, omdat het gaat om een geringe overschrijding die geen afbreuk doet aan het gebruik van de achterliggende weg. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook op andere plaatsen binnen deze verkeersbestemming bebouwing aanwezig is.
8.2.
Eiseres heeft niet onderbouwd waarom de door het college gemaakte belangenafweging onvoldoende zou zijn. Dat eiseres naar zij stelt zelf geen toestemming heeft gekregen biedt geen aanknopingspunt om te oordelen dat het college een onjuiste afweging heeft gemaakt. Datzelfde geldt voor de niet onderbouwde stelling van eiseres dat de doorgangsruimte voor vrachtverkeer binnen de bestemming “Verkeer” nu te smal zal worden.
Bouwen in de zijdelingse perceelgrenzen
9. Volgens eiseres is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan, omdat het achterste gebouw wordt gebouwd in beide zijdelingse perceelsgrenzen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat in artikel 3.2.2, aanhef en onder d, van de planregels is bepaald dat bebouwing minimaal in één perceelgrens dient te worden gebouwd, stelt het college zich terecht op het standpunt dat bouwen in beide perceelsgrenzen niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Brandveiligheidseisen en bereikbaarheid voor de brandweer
10. Eiseres betoogt dat de vluchtroutes niet voldoen aan artikel 2.107, zesde lid, en artikel 6.25, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012. Vluchtroutes via overheaddeuren voldoen volgens haar niet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. De deuren kunnen in geval van geparkeerde auto’s niet helemaal open, zodat de opening kleiner is dan 85 centimeter. Bovendien zijn op de tekeningen de vluchtroutes aangegeven bij de (loop)deuren. Daarnaast betoogt eiseres dat niet aan het advies van de brandweer wordt voldaan, omdat niet is aangetoond dat de bochtradius voor een brandweervoertuig gehaald kan worden.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Voor het geval aan de inhoud van de beroepsgrond wordt toegekomen, is volgens het college geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012 omdat de deuren naar binnen opendraaien, waardoor er een vrije doorgang van 85 centimeter ontstaat. Dit blijkt ook uit advies van de Brandweer Hollands Midden.
10.2.
Ook vergunninghoudster stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Op zitting heeft vergunninghoudster daaraan toegevoegd dat de beroepsgrond over brandveiligheidseisen niet meer aan de orde kan worden gesteld, omdat eiseres dit had moeten doen in de eerdere procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2023.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt vergunninghoudster voor wat betreft de uit het Bouwbesluit 2012 volgende eisen aan de vluchtroutes terecht naar voren dat dit een beroepsgrond is die eiseres tegen het besluit op bezwaar van 6 juni 2021 had kunnen en moeten aanvoeren. Deze grond dient daarom buiten beoordeling te blijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het nieuwe besluit op bezwaar op dit onderdeel niet nadeliger is dan het oorspronkelijke besluit. [9] Overigens zou de beroepsgrond over vluchtroutes als die niet eerder had kunnen worden aangevoerd afstuiten op het relativiteitsvereiste, omdat die regels in het Bouwbesluit 2012 beogen dat een gebouw veilig kan worden ontvlucht. Die bepalingen strekken niet tot bescherming van eiseres als gebruiker van een naastgelegen perceel. [10]
10.4.
De beroepsgrond van eiseres over bereikbaarheid van de brandweer had op zichzelf ook kunnen worden aangevoerd in het beroep tegen het besluit van 6 juli 2021. Het nieuwe besluit voorziet – zoals door eiseres ook bepleit – in meer parkeerplaatsen op eigen terrein. Uit het dossier blijkt dat de situering van parkeerplaatsen van betekenis is voor de bochtradius die is benodigd voor een brandweervoertuig. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat het bestreden besluit op dit onderdeel nadeliger is dan het besluit van 6 juli 2021. Ook stuit deze beroepsgrond niet af op het relativiteitsvereiste, omdat bereikbaarheid voor brandweervoertuigen van betekenis kan zijn voor overslag van brand naar het perceel van eiseres. [11] De rechtbank zal de beroepsgrond daarom inhoudelijk behandelen.
10.5.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat niet aan het advies van de brandweer is voldaan, omdat niet is aangetoond dat de bochtradius voor brandweervoertuigen voldoet. In verband met de bochtradius zijn twee beoogde parkeerplaatsen verplaatst naar de zijkanten van het perceel en de aangepaste tekening ‘parkeervoorzieningen en opstelplaatsen blusvoertuigen’ is daarop beoordeeld en akkoord bevonden door de Veiligheidsregio Hollands Midden. Zoals het college naar voren heeft gebracht, blijkt van die beoordeling uit een e-mail van de Veiligheidsregio van 9 april 2024, gericht aan [naam 1] .
10.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
11. Eiseres heeft de beroepsgrond dat het college haar bezwaren tegen de verlening van de omgevingsvergunning van 8 maart 2021 niet ongegrond mocht verklaren ter zitting ingetrokken.
12. Eiseres betoogt dat het bouwplan voor wat betreft het voorste gebouw niet voldoet aan de planregel [12] dat de oppervlakte van niet-zelfstandige kantoren een oppervlak van maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak mogen hebben.
12.1.
Dit betoog slaagt niet, alleen al omdat uit de bestemmingsregeling niet volgt dat de oppervlakte van niet-zelfstandige kantoren per gebouw en niet per bestemmingsvlak zou moeten worden bepaald.
13. Over het betoog van eiseres dat het college ten onrechte niet het door vergunninghoudster op 20 december 2023 overgelegde document ‘parkeervoorzieningen’ onderdeel heeft gemaakt van de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende.
13.1.
Op zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat met het document wordt gedoeld op een tot de stukken behorende tekening waarop de parkeervakken juist zijn ingetekend, vanwege een aanpassing van de bochtradius. De rechtbank stelt vast dat deze tekening ‘parkeervoorzieningen en opstelplaatsen blusvoertuigen’ als bijlage is opgenomen bij het bestreden besluit. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vastgelegd dat deze tekening deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
14. Eiseres betoogt verder dat, voor zover geen sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw, een nieuwe aanvraag zou moeten worden gedaan. Dat geldt volgens eiseres temeer omdat in de publicatie een verkeerd perceelsnummer is vermeld.
14.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De benaming van het bouwplan als bedrijfsverzamelgebouw is niet bepalend om vast te stellen wat is vergund, maar het samenstel van de aanvraag, de verleende omgevingsvergunning en stukken die daarvan deel uitmaken. Uit dat samenstel en uit het bestreden besluit blijkt voldoende duidelijk dat een verzameling bedrijfsgebouwen is vergund. Voor zover een onjuist perceelsnummer is vermeld in de publicatie van de verleende omgevingsvergunning kan dat niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De publicatie heeft kennelijk ook niet geleid tot verwarring bij eiseres, omdat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
15.1.
Omdat de rechtbank in overweging 6.3 gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd, moet het college wel de proceskosten van eiseres en het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
15.2.
De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Bestemmingsplan “Nijverheidscentrum”
Artikel 3 Bedrijf Pro
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' uitsluitend bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij artikel 3 (bijlage 1);
alsmede voor:
b. niet-zelfstandige kantoren als onderdeel van de bedrijven als genoemd in sub a, met een oppervlak van maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak met een maximum van 2.000 m²;
met de daarbij behorende:
c. tuinen;
d. in- en uitritten;
e. parkeervoorzieningen;
f. wegen, straten en paden;
g. water en waterstaatkundige voorzieningen;
h. groenvoorzieningen, bermen en taluds;
i. voorzieningen van openbaar nut;
j. kunstwerken.
3.2.2
Bedrijfsgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
(…)
d. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerende functie' gebouwen minimaal aan één zijde in de perceelsgrens gebouwd dienen te worden en in de breedte op het perceel worden geplaatst, zodat de bebouwing een geluidwerende functie richting de toekomstige woonwijk [woonwijk] heeft;
(…)
3.5.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 20 wordt Pro in elk geval gerekend het gebruik voor:
(…)
d. zelfstandige kantoren;
(…)
Parapluherziening Parkeren
Artikel 3 Algemene Pro bouwregels
3.1
Parkeren
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de op 29 september 2013 vastgestelde 'Beleidsnota Parkeernormen'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
3.2
Laden en lossen
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij wordt uitgegaan van de ASVV 2012 van het CROW. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
(…)
Artikel 4 Relatie Pro met onderliggende plannen
De in artikel 3 van Pro dit bestemmingsplan opgenomen regels gelden in aanvulling op c.q. in afwijking van de regels van de andere ruimtelijke plannen in de gemeente Zuidplas voor wat betreft het onderwerp 'parkeren’, en laten de overige regels uit die onderliggende ruimtelijke plannen ongewijzigd.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 26 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15080.
2.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.
4.Uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1706, onder 9.1.
5.Rb. Den Haag 26 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15080, onder 10.2 en 10.3.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2076.
7.Artikel 3.5.1. van de planregels.
8.Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 5 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2281, onder 10.1.
9.Uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3405, onder 14.2.
10.Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.39.
11.Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.38.
12.Artikel 3.1, aanhef en onder b.