ECLI:NL:RBDHA:2026:17734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702243 / KG ZA 26-322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling plaatsing gedetineerde op risicolijst en toewijzing risicocategorieën

De zaak betreft een kort geding van een gedetineerde die bezwaar maakt tegen zijn plaatsing op de lijst van risicogedetineerden (GVM-lijst) en de toewijzing van twee risicocategorieën: A (ontvluchting/bevrijding) en C (liquidatie/geweld). De gedetineerde was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij plofkraken en wordt verdacht van medeplegen van moord en voorbereidingshandelingen.

De selectiefunctionaris had op advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG) de gedetineerde als risicogedetineerde aangemerkt met beide risicocategorieën. De gedetineerde betwistte de redelijkheid van deze toewijzing, met name de categorie A, omdat er geen concrete, actuele aanwijzingen zijn voor vluchtgevaar of bevrijding.

De rechtbank oordeelt dat de toewijzing van risicocategorie A niet redelijk is, omdat de Staat geen aanvullende informatie heeft geleverd die het vluchtgevaar ondersteunt. De toewijzing van risicocategorie C wordt echter wel bevestigd vanwege de gewelddadige context, de aanwezigheid van een kroongetuige en de animositeit tussen verdachten, wat een reëel liquidatierisico binnen de detentie oplevert.

De primaire vordering tot verwijdering van de gedetineerde van de risicolijst wordt afgewezen, maar de subsidiaire vordering tot het schrappen van risicocategorie A wordt toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Risicocategorie A wordt geschrapt, risicocategorie C blijft gehandhaafd voor de gedetineerde.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702243 / KG ZA 26-322
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
[eiser], verblijvende in de PI [plaats 1], locatie [locatie],
eiser,
advocaat mr. T.S. van der Horst te Utrecht,
tegen:
de Staat der Nederlandente Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M. Beekes te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de op 22 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is op 27 april 2022 door het Hof van beroep te Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar voor onder meer deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij plofkraken. Hij heeft hiervoor gedetineerd gezeten in een Belgische gevangenis. Sinds 8 februari 2023 verblijft [eiser] (na overlevering door de Belgische autoriteiten) in een Nederlandse gevangenis (hierna: p.i.) met het oog op de tenuitvoerlegging van deze straf.
2.2.
[eiser] is nadien als verdachte aangemerkt van medeplegen van een moord en van voorbereidingshandelingen tot moord. Dit blijkt uit een rapportage van 15 augustus 2024 van het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (hierna: GRIP). Hierin staat onder meer vermeld dat de betreffende liquidaties het gevolg zijn van een zogeheten ‘onderwereldoorlog’ tussen twee machtige en rijke criminele samenwerkingsverbanden (hierna CSV’s). Nadat [eiser] in het strafrechtelijk onderzoek was gehoord, zijn er beperkingen aan hem opgelegd.
2.3.
[eiser] is naar aanleiding van deze GRIP-rapportage op 11 september 2024 besproken in het Operationeel Overleg (hierna: OO). Het OO heeft geadviseerd om [eiser] op de GVM-lijst in de risicocategorie ‘hoog’ te plaatsen vanwege het risico op ontvluchting of bevrijding van buitenaf en op liquidatie of dreiging binnen de p.i.’s (de indicaties A en C). De selectiefunctionaris heeft conform dat advies besloten. Deze status is nadien tweemaal verlengd, laatstelijk op 10 september 2025.
2.4.
In een GRIP-rapportage van 18 september 2025 is informatie opgenomen over het verloop van de strafzaak van [eiser]. Daarbij wordt melding gemaakt van een gesloten kroongetuigendeal en van door de kroongetuige afgelegde verklaringen over de gepleegde misdrijven en zijn medeverdachten. Verder valt hierin te lezen dat er rondom het strafproces strikte veiligheidsmaatregelen zijn getroffen in verband met de kroongetuige. In het rapport wordt opgemerkt dat op verschillende momenten tijdens de zittingen is gebleken dat sprake is van grote animositeit tussen de verdachten en de kroongetuige.
2.5.
Op 20 november 2025 heeft de directeur van PI [plaats 2], waar [eiser] op dat moment gedetineerd zat, verzocht om [eiser] op een Afdeling Intensief Toezicht (hierna: AIT) te plaatsen. Op dat moment was er (per 1 november 2025) een nieuwe circulaire in werking getreden die ziet op Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (hierna: de nieuwe GVM-circulaire). De risicocategorieën extreem, hoog en verhoogd zijn hierin vervangen door de statussen hoogrisicogedetineerden (HRG) en risicogedetineerden (RG). De status HRG wordt toegekend aan gedetineerden die zijn geplaatst in een bepaalde inrichting of op bepaalde afdelingen, zoals de extra beveiligde inrichting (EBI) of de AIT. Gedetineerden met de status RG kunnen op reguliere afdelingen verblijven.
2.6.
In een GRIP rapportage van 24 november 2025 staat vermeld dat er nog steeds sprake is van de verdenkingen als vermeld onder 2.2. alsmede van een verdenking van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband (CSV) met als oogmerk het beramen en plegen van de misdrijven moord, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie en het opzettelijk teweegbrengen van ontploffing en bedreiging. Er worden in het rapport zes medeverdachten genoemd, waarvoor contra-indicaties bestaan. In het rapport staat vermeld dat [eiser] binnen het CSV een rol als tussenpersoon heeft en ervan wordt verdacht (vlucht)auto’s te hebben geregeld en deze ook te hebben bestuurd rondom de liquidatie en de voorbereidingen daartoe. De top van het CSV zou over vele miljoenen beschikken en is woonachtig in Dubai, waarbij het vermoeden bestaat dat er vanuit Dubai nog opdrachten worden uitgezet. De verwachting is dat bij veroordelingen voor de strafbare feiten hoge gevangenisstraffen zullen volgen. Volgens het GRIP is er vanwege het vorenstaande sprake van een risico tot ontvluchting of bevrijding van buitenaf, waarbij de hulp van de top van het CSV, die op dit moment op vrije voeten is, niet is uitgesloten. De (liquide) middelen zijn hiertoe aanwezig en er is een belang dat de verdachten hun straf ontlopen. Daarnaast is volgens dit rapport, gezien het zeer gewelddadige onderwereldconflict en nu alle verdachten gedetineerd zitten uit hoofde van uit dit conflict voortkomende feiten, sprake van een risico op liquidatie of dreiging binnen de p.i.’s. Het rapport maakt ook melding van de antecedenten van [eiser] die sinds 2008 in aanraking komt met politie en justitie. Hij is eerder veroordeeld voor het uitmaken van een criminele organisatie en betrokkenheid bij diverse misdrijven.
2.7.
De selectiefunctionaris heeft het onder 2.5 vermelde verzoek van de directeur om [eiser] op een AIT te plaatsen op 22 december 2025 afgewezen, omdat naar haar/zijn oordeel op basis van de voorhanden zijnde stukken niet wordt voldaan aan één van de gronden voor plaatsing op de AIT. [eiser] is daarna overgeplaatst naar PI [plaats 1], locatie [locatie].
2.8.
Het Overleg Risicogedetineerden (ORG) heeft op 11 februari 2026 geadviseerd om [eiser] aan te merken als risicogedetineerde (RG), onder toewijzing van twee risicocategorieën, te weten:
A. (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf; en
C. (risico op) Liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde.
De onderbouwing hiervan luidt als volgt:
“Betrokkene heeft binnen het CSV een belangrijke rol als tussenpersoon. Hij wordt er onder meer van verdacht (vlucht)auto’s te hebben geregeld en deze ook te hebben bestuurd rondom de liquidatie en de voorbereidingen daartoe. De top van het CSV (wat over vele miljoenen beschikt) is momenteel nog op vrije voeten en woonachtig in Dubai. Dit maakt dat het vluchtgevaar voldoende actueel, betrouwbaar en concreet.
Gezien het zeer gewelddadige onderwereldconflict tussen het CSV van Roger Pieterson en het CSV van Ali Reza Dantism, is tevens niet uitgesloten dat dit – nu alle verdachten gedetineerd zitten uit hoofde van uit dit conflict voortkomende feiten – tot een risico op liquidatie of dreiging binnen de PI’s zal leiden.”
Het ORG adviseert de directeur om de toezichtsmaatregelen volgens de nieuwe GVM-circulaire te treffen, met het aanvullend advies om betrokkene te monitoren op eventueel voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD). De selectiefunctionaris heeft het advies van het ORG overgenomen.
2.9.
Op 27 februari 2026 heeft de directeur van PI [plaats 1] toezichtsmaatregelen aan [eiser] opgelegd betreffende telefonie, bezoek, correspondentie, bewegingsruimte in de inrichting, arbeid, geen plaatsing op meerpersoonscel en vervoer. De directeur heeft, kort gezegd, gemotiveerd dat hij dit noodzakelijk acht vanwege de status van [eiser] als risicogedetineerde en hij stelt dat de toezichtsmaatregelen volgens de nieuwe GVM-circulaire passend zijn bij de indicaties A en C.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te bevelen om binnen 48 uren na dagtekening van dit vonnis:
primair: [eiser] van de lijst van risicogedetineerden te (doen) verwijderen;
subsidiair:risicocategorie A en/of risicocategorie C niet langer aan te nemen;
met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door zonder gebleken noodzaak de status van RG aan hem toe te kennen. De Staat heeft die beslissing in redelijkheid niet kunnen nemen. De onderbouwing van het vermeende vluchtgevaar en dus de aanname dat sprake is van risicocategorie A bestaat uit een niet verifieerbare en niet met signalen, aanwijzingen of actuele en concrete informatie onderbouwde risico-inschatting waarop bovendien het nodige valt af te dingen. Datzelfde geldt voor de onderbouwing dat er sprake is van liquidatiegevaar. Daar is ook geen grond voor. Daarbij is relevant dat [eiser] zonder enig probleem meer dan anderhalf jaar zonder risicostatus en zonder toezichtsmaatregelen gedetineerd heeft gezeten. In die periode is er niets onoorbaars voorgevallen. Er zijn ook geen signalen, aanwijzingen of informatie van de periode daarna waaruit blijkt dat er sprake is van vlucht- of liquidatiegevaar. [eiser] heeft een spoedeisend belang om niet langer als RG te worden aangemerkt. Op basis hiervan wordt immers een zwaarwegend advies gegeven aan de directeur van de inrichting waar [eiser] verblijft omtrent de op te leggen maatregelen. Dat advies wordt in de regel gevolgd, zoals ook hier. [eiser] heeft daar veel last van. Hij heeft nagenoeg geen privacy meer, geen bewegingsvrijheid en het heeft veel gevolgen voor het onderhouden van het contact met zijn naasten.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid en ontvankelijkheid
4.1.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van hem handelt door zijn plaatsing op de GVM-lijst te handhaven zonder dat daarvoor voldoende indicaties aanwezig zijn. Daarom is de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Voor het opkomen tegen de handhaving op de GVM-lijst staat voor [eiser] geen andere rechtsgang open en daarom is hij in zijn vordering ook ontvankelijk. De Staat heeft dat ook niet bestreden.
Juridisch kader
4.2.
Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de nieuwe GVM-circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van RG wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het GRIP, het Openbaar Ministerie (OM) en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en beoordeeld. Bij de beoordeling van de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is slechts plaats als de selectiefunctionaris, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om de gedetineerde, in dit geval [eiser], als RG aan te merken.
Spoedeisend belang
4.2.
De Staat heeft verweer gevoerd tegen het spoedeisend belang, dat [eiser] stelt te hebben bij zijn vorderingen, omdat het [eiser] kennelijk alleen gaat om de door de directeur aan hem opgelegde maatregelen. Tegen beslissingen van de directeur staat voor [eiser] een met voldoende waarborgen omkleden rechtsgang open, zodat de gevolgen van die maatregelen geen belang opleveren waarop [eiser] zich in dit geding kan beroepen, aldus de Staat. De Staat wijst er daarbij op dat de bevoegdheid van de directeur om maatregelen te treffen niet is gekoppeld aan de RG-status van [eiser]. Ook als [eiser] deze status niet meer zou hebben, dan kan de directeur nog steeds de maatregelen aan hem opleggen.
4.3.
De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Alhoewel de directeur de bevoegdheden heeft die de Staat stelt, heeft de directeur bij het gebruik van zijn bevoegdheden in het kader van de individuele belangenafweging toegelicht dat hij het noodzakelijk acht toezichtsmaatregelen aan [eiser] op te leggen vanwege zijn RG-status. Gelet hierop heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij zijn primaire vordering.
4.4.
[eiser] heeft de subsidiaire vordering ingesteld omdat het wegvallen van een van de risicocategorieën volgens hem zou moeten dan wel kunnen leiden tot een verlichting van de getroffen maatregelen. De Staat betwist dat. Hij stelt dat uit de beslissing van de directeur niet volgt dat bepaalde voorwaarden zijn opgelegd louter vanwege het ene of het andere risico. Het vervallen van een van de gronden leidt volgens de Staat dus niet tot minder maatregelen.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de directeur heeft overwogen dat de getroffen maatregelen volgens de nieuwe GVM-circulaire passend zijn bij beide indicaties. Dat vindt ook bevestiging in hetgeen in bijlage 3 bij die circulaire staat vermeld. Toezicht op contacten met buiten is bijvoorbeeld niet alleen van belang om voorbereidingshandelingen voor ontvluchting te detecteren, zoals [eiser] meent, maar onder andere ook op het voorkomen van het doorgeven van boodschappen binnen criminele netwerken, wat relevant is in geval van een liquidatierisico. Dat laat echter onverlet dat er een zekere correlatie kan bestaan tussen de aangenomen risicocategorieën (in dit geval A en C) en de op grond daarvan door de directeur getroffen maatregelen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat bij het wegvallen van een van de categorieën de resterende categorie de maatregel niet (ten volle) meer kan dragen. Naar voorlopig oordeel heeft [eiser] daarom ook voldoende belang bij de subsidiaire vordering. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot een marginale toetsing van de toewijzing aan [eiser] van twee risico-categorieën.
Toewijzing van risico-categorieën A en C
4.6.
[eiser] is aangemerkt als risicogedetineerde (RG), onder toewijzing van de risicocategorieën A (risico op) ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf en C. (risico op) liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde.
4.7.
De toewijzing van
risico-categorie Ais gebaseerd op de rol die [eiser] heeft binnen het CSV, waarbij hij ervan wordt verdacht (vlucht)auto’s te hebben geregeld en bestuurd rondom liquidaties en de voorbereidingen daartoe, in het kader van een onderwereldoorlog. Het gaat hierbij om feiten waarvoor hij lange gevangenisstraffen kan krijgen. Omdat de top van het CSV over veel geld en middelen beschikt en nog op vrije voeten is, zou er sprake zijn van vluchtgevaar of een risico op bevrijding van buitenaf.
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt dat dit zonder meer aspecten zijn die in redelijkheid meegewogen kunnen worden bij de toewijzing van risicocategorie A. Daarnaast moet er echter sprake moet zijn van bijkomende factoren of informatie die het vlucht/bevrijdingsrisico ondersteunen. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1526, waarin ditzelfde is geoordeeld bij een gedetineerde die was veroordeeld voor het geven van leiding aan een internationaal opererende drugsorganisatie met de macht en de financiële middelen om een ontsnappingspoging te organiseren. Die gedetineerde zat daarnaast in voorlopige hechtenis op de grond ‘vluchtgevaar’. In die zaak was door de Staat nadere informatie (over de wens om te vluchten en een mogelijke bevrijdingspoging) naar voren gebracht, maar die informatie kon volgens het hof niet worden getoetst. Daarnaast was in die zaak ook niet gebleken van concrete andere signalen die het vlucht/bevrijdingsrisico ondersteunden. Naar het voorlopig oordeel van het hof waren er daarom onvoldoende argumenten voor de selectiefunctionaris om in redelijkheid te kunnen concluderen dat sprake was van een vlucht/ontsnappingsrisico, ook niet als de factoren in onderlinge samenhang werden bezien.
4.9.
De Staat heeft in deze zaak geen melding gemaakt van nadere informatie of bijkomende factoren naast hetgeen onder 4.7 staat vermeld. [eiser] heeft daartegenover gemotiveerd gesteld dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat er door de kopstukken voor hem, gelet op zijn rol/positie binnen de organisatie onder de top, een risicovolle ontspanningspoging zal worden georganiseerd en evenmin dat hij zelf zou willen vluchten. Daarbij heeft hij nader toegelicht dat hij zich in 2020 zelf heeft gemeld voor zijn huidige detentie en dat hij al sinds 2023 in een Nederlandse p.i. verblijft zonder voorvallen of incidenten. Datzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande Belgische detentie, waarbij er van extra maatregelen geen sprake was. De Staat heeft verklaard geen gegevens te hebben over het verloop van de Belgische detentie, maar heeft zoals gezegd geen bijkomende factoren naar voren gebracht over het gedrag van [eiser] of andere binnengekomen informatie die de risico-inschatting ondersteunen.
4.10.
De selectiefunctionaris heeft gelet op het vorenstaande in redelijkheid niet risicocategorie A aan [eiser] kunnen toewijzen.
4.11.
Bij de toewijzing van
risico-categorie Cis wel sprake van bijkomende omstandigheden naast de onherroepelijk veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie en plofkraken en de verdenking van de hiervoor beschreven betrokkenheid van [eiser] bij het onderwereldconflict tussen twee CSV’s. Er zijn immers meerdere verdachten opgepakt voor verschillende vormen van betrokkenheid bij het zeer gewelddadige conflict. Aannemelijk is dat zij alle beschikken over een bepaalde mate van kennis en informatie ten aanzien van de leden van het CSV. Verder is sprake van een kroongetuige die verklaringen heeft afgelegd over de gepleegde misdrijven en zijn medeverdachten en is tijdens zittingen gebleken dat sprake is van grote animositeit tussen de verdachten en de kroongetuige, zo staat vermeld in de GRIP-rapportage van 18 september 2025. Dat er gelet hierop door de selectiefunctionaris wordt aangenomen dat er sprake is van een risico op liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door [eiser] acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk. Dat de beschreven gedetineerden, waarmee [eiser] volgens een rapportage niet in een inrichting zou kunnen verblijven, momenteel in een andere inrichting (deels op een AIT) verblijven, maakt dit niet anders.
De primaire vordering
4.12.
Gelet op hetgeen onder 4.11 staat vermeld, heeft de selectiefunctionaris in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om [eiser] aan te merken als risicogedetineerde. De (navolgbare) toewijzing aan [eiser] van risicocategorie C kan dit besluit immers zelfstandig dragen. De primaire vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar.
De subsidiaire vordering
4.13.
De voorzieningenrechter zal, gelet op hetgeen onder 4.7 tot en met 4.10 is overwogen, de subsidiaire vordering toewijzen voor wat betreft risicocategorie A, maar op de wijze zoals hierna vermeld, aangezien de door [eiser] ingestelde vordering te onvoorwaardelijk is geformuleerd.
Proceskostenveroordeling
4.14.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd op de wijze zoals hierna vermeld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat risicocategorie A zonder nadere (adequate) toelichting tot aan een volgende gemotiveerde beslissing van de selectiefunctionaris niet langer gehanteerd mag worden;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
ts