ECLI:NL:RBDHA:2026:17713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C.09/26/139 F
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen faillietverklaring niet-ontvankelijk wegens ontbreken inhoudelijk verweer

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV) stelde verzet in tegen het vonnis waarbij zij failliet werd verklaard op verzoek van meerdere executeurs. De rechtbank Den Haag behandelde het verzet op 2 juni 2026, waarbij de BV vertegenwoordigd was door haar advocaat en bestuurder.

De BV had bij de eerste zitting uitsluitend om aanhouding verzocht om een betalingsregeling te treffen, maar geen inhoudelijk verweer gevoerd. De rechtbank overwoog dat het verschijnen bij de eerste zitting en het verzoek om uitstel betekent dat de BV is gehoord, ook al is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Dit is in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en liet het faillissement in stand. De rechtbank ging niet in op de inhoudelijke gronden van het verzet. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitkomst: Het verzet tegen de faillietverklaring wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de schuldenaar is gehoord zonder inhoudelijk verweer te voeren.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummer: C.09/26/139 F
vonnis in verzet van 5 juni 2026
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[opposante] B.V.,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats],
feitelijk gevestigd aan de [adres] te [plaats],
hierna: [opposante],
advocaten: mr. J.I. van Vlijmen en mr. A. el Ouath.
Waar deze zaak over gaat
[opposante] heeft verzet ingesteld tegen het vonnis waarin zij failliet is verklaard. De rechtbank zal [opposante] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzet. Het faillissement blijft daarom in stand. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1.De procedure

1.1.
[opposante] heeft op 6 mei 2026 verzet ingesteld tegen het vonnis van 22 april 2026, waarbij zij op verzoek van de heer [verzoeker 1] en van de heer [verzoeker 2], de heer [verzoeker 3] en mevrouw [verzoekster], in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen de heer [naam 1] (hierna: verzoekers), in staat van faillissement is verklaard. Daarbij is mr. R. Cats benoemd tot rechter-commissaris en mr. R.W.A. Brunninkhuis aangesteld als curator.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzetschrift zou plaatsvinden op 19 mei 2026. [opposante] heeft op 18 mei 2026 verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling, zodat zij zekerheid kon stellen voor de nakoming van de door [opposante] en verzoekers overeengekomen betalingsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd en heeft een nieuwe datum voor de mondelinge benadeling gepland.
1.3.
Het verzet is op de zitting van 2 juni 2026 behandeld, tegelijkertijd met de behandeling van het verzet dat is ingesteld tegen het faillissement van de heer [naam 2] (C.09/26/140 F), waarover de rechtbank in een afzonderlijk vonnis zal beslissen. Op die zitting verschenen:
- mr. A. el Ouath, namens [opposante] en de heer [naam 2],
- de heer [naam 2] als bestuurder van [opposante],
- mr. I. Arisoy, namens verzoekers,
- mr. R.W.A. Brunninkhuis, curator in het faillissement van [opposante],
- mr. E.J. Luten, curator in het faillissement van de heer [naam 2].
1.4.
De rechtbank heeft in verband met de behandeling van het verzet de volgende stukken ontvangen:
- het verzetschrift van 6 mei 2026;
- het bericht van 8 mei 2026 van de curator;
- het verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling van 18 mei 2026;
- het advies, inclusief salarisverzoek, van 28 mei 2026 van de curator.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoek tot faillietverklaring is op de zitting van 31 maart 2026 behandeld. Daarbij is de heer [naam 2] als bestuurder van [opposante] verschenen. Hij heeft verzocht om een aanhouding van 3 weken om in overleg een regeling te kunnen treffen. Dat verzoek is door de rechtbank gehonoreerd met aanzegging van de datum waarop het faillissementsverzoek verder zou worden behandeld, namelijk 21 april 2026. Op 21 april 2026 is [opposante] niet verschenen. Op de ochtend van 21 april 2026 heeft de heer [naam 2] zich per e-mail van 8:44 ziek gemeld en heeft hij verzocht om een aanhouding. De rechtbank heeft het verzoek tot aanhouding gepasseerd omdat het te laat is ingediend en niet met enig medisch stuk is onderbouwd. [opposante] is failliet verklaard.
2.2.
In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of voor [opposante] het rechtsmiddel van verzet openstaat. Op grond van artikel 8 lid 2 Faillissementswet Pro heeft zij recht van verzet tegen het vonnis waarbij zij failliet is verklaard, indien zij niet is gehoord. Ten aanzien van de vraag of [opposante] in de procedure die tot de faillietverklaring heeft geleid is gehoord, neemt rechtbank tot uitgangspunt dat als een schuldenaar bij de eerste behandeling voor de rechtbank is verschenen, hij is ‘gehoord’, ook als hij bij het vervolg van de behandeling op een tweede zitting niet is verschenen (Hoge Raad 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0811).
2.3.
[opposante] vindt dat zij niet is gehoord en beroept zich op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:1782) waarin als volgt is overwogen: “
Onder ‘gehoord zijn’ moet worden verstaan de schuldenaar die, in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting is verschenen of die schriftelijk verweer heeft gevoerd. Van 'horen' is sprake als inhoudelijk verweer is gevoerd.” ). [opposante] stelt dat zij op de eerste zitting alleen om een aanhouding heeft verzocht, geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en daarom niet is gehoord.
2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gezien het voornoemde uitgangspunt van de Hoge Raad, een te beperkte uitleg van ‘horen’. Het is een uitleg die bovendien tot onduidelijkheid en daarmee tot rechtsonzekerheid kan leiden. Een schuldenaar is gehoord als hij verschijnt op de eerste behandeling bij de rechtbank en daarbij de mogelijkheid heeft om verweer te voeren. In dit geval is hiervan sprake. Als een schuldenaar van de mogelijkheid om verweer te voeren geen gebruik maakt en uitsluitend om een aanhouding verzoekt, dan betekent dit niet dat hij niet is gehoord. Bovendien geldt in dit geval dat [opposante] bij de eerste zitting te kennen heeft gegeven dat zij een betalingsregeling wilde afspreken en daarom uitstel verzocht. Dit moet worden aangemerkt als een (gedeeltelijke) erkenning door [opposante] van de vordering en het verzoek van de aanvrager en dus juist als het afzien van het voeren van inhoudelijk verweer.
2.5.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat in de procedure die tot faillietverklaring heeft geleid, [opposante] is gehoord en zij dus niet-ontvankelijk is in het verzet tegen het vonnis van 22 april waarbij zij failliet is verklaard. Aan behandeling van de gronden voor het verzet komt de rechtbank daarom niet toe.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [opposante] niet-ontvankelijk in haar verzet.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met mr. A. de Ronde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.