ECLI:NL:RBDHA:2026:17691

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29686
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Portugal verantwoordelijk is volgens het Dublin-verdrag.

De rechtbank onderzocht of eiser nog belang had bij de inhoudelijke behandeling van het beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming.

Verweerder meldde dat eiser op 8 juni 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank verzocht de gemachtigde om contactgegevens, maar ontving geen reactie. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij de inhoudelijke beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 25 juni 2026 te Middelburg.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29686

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Portugal daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [1]
3. Verweerder heeft de rechtbank op 11 juni 2026 schriftelijk bericht dat eiser op 8 juni 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding van het bericht van verweerder heeft de rechtbank gemachtigde van eiser verzocht om binnen vijf werkdagen kenbaar te maken wanneer hij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft hier niet op gereageerd. Hieruit blijkt dus niet dat er nog contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.