ECLI:NL:RBDHA:2026:17616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/24488 AWB 25/24491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 29 VwArt. 31 lid 6 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen Eritrees echtpaar wegens gebrek aan geloofwaardig risico op ernstige schade

Eisers, een Eritrees echtpaar, vroegen asiel aan in Nederland na hun legale uitreis met een uitreisvisum. Zij vreesden vervolging vanwege de desertie van hun dochter uit het leger. De minister wees hun aanvragen af wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende bewijs van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van eisers over de desertie van hun dochter en de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eisers zijn legaal uitgereisd en hebben een uitreisvisum verkregen, wat duidt op geen negatieve aandacht. De minister heeft terecht geoordeeld dat eisers hun asielaanvraag niet spoedig na aankomst hebben ingediend zonder goede reden.

De rechtbank volgt de minister in de beoordeling dat het niet aannemelijk is dat de autoriteiten niet op de hoogte waren van de desertie van de dochter en dat eisers niet in negatieve aandacht staan. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade lopen, mede omdat zij asiel hebben aangevraagd en vrijwillige terugkeer mogelijk is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Lange op 4 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van het Eritrese echtpaar tegen de afwijzing van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/24488 en AWB 25/24491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, en

[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Vreeken),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigden: mr. E. Walraven en mr. A. Maas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiser en eiseres (eisers) als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eisers hebben op 16 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 21 november 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Elias als tolk en de gemachtigden van de minister.
5.1.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen vier weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
6. Eisers leggen aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers hebben de Eritrese nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1953 en eiseres is geboren op [geboortedatum] 1957. De zoon van eisers, [zoon] , heeft vier jaar gedetineerd gezeten wegens desertie. [zoon] is een week na zijn vrijlating in 2015 naar Nederland gevlucht. Een jaar na het vertrek van hun zoon uit Eritrea is eiser opgepakt en heeft twee jaar en zeven maanden gevangen gezeten, alwaar eiser is gemarteld. Eiser werd in 2018 vrijgelaten omdat zijn gezondheidssituatie zeer slecht was door de mishandelingen. Eisers werden uitgenodigd door hun zoon om naar Nederland te komen voor familiebezoek. Eisers hebben Eritrea op 5 september 2023 legaal verlaten in het bezit van een visum voor Italië, geldig van 24 augustus 2023 tot 6 december 2023. Eisers hebben een uitreisvisum verkregen van de Eritrese autoriteiten en zijn op 6 september 2023 Nederland ingereisd. Toen eisers in Nederland waren hebben zij vernomen dat hun dochter [dochter] is gedeserteerd op 2 mei 2023. Eiser vreest bij terugkeer gevangen te worden genomen vanwege deze desertie van de dochter uit het leger en omdat eiser al eerder gedetineerd heeft gezeten vanwege de desertie van zijn zoon. Eiseres vreest eveneens in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te staan vanwege de desertie van haar dochter. Daarom hebben eisers op 16 december 2023 asiel aangevraagd.
De bestreden besluiten
7. Het asielrelaas van eisers bevatten volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Dat eisers in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege de desertie van hun dochter.
8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. Eisers hebben hun verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Daar komt bij dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister voldoen eisers daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw om de volgende redenen.
9. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en daarvoor zijn drie redenen. De eerste reden [2] is een onlogische verklaring over de desertie van hun dochter en de legale uitreis van eiser. De tweede reden [3] is inconsistenties en onduidelijkheden in de verklaringen over de desertie van hun dochter. De derde reden [4] is dat het ongerijmd is dat eiser een paspoort en visum heeft gekregen na zijn vrijlating.
10. De verklaringen van eiseres vormen eveneens geen samenhangend hangend geheel en daarvoor zijn vier redenen. De eerste reden [5] is dat uit haar verklaringen volgt dat dochter [dochter] reeds was gedeserteerd toen eiseres nog in Eritrea was. De tweede reden [6] is dat eiseres zelf niet eerder persoonlijke problemen heeft ondervonden van de Eritrese autoriteten. De derde reden [7] is dat eiseres wisselende, summiere, ongerijmde en vage verklaringen heeft afgelegd over de desertie van haar dochter. De vierde reden [8] is dat eiseres legaal is uitgereisd met een visum en paspoort.
11. Eisers voldoen eveneens niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat eisers hun asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland hebben ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft.
12. De minister vindt gezien dit alles dat eisers bij terugkeer naar Eritrea geen vrees voor vervolging hebben in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank over de desertie van de dochter
13. De vraag of de desertie van de dochter geloofwaardig is bevonden wordt in het besluit niet expliciet benoemd. Gelet op de tegenwerpingen in het bestreden besluit over de summiere en tegenstrijdige verklaringen over de desertie van de dochter van eisers en haar daarop volgende verblijf in zowel het bestreden besluit van eiser, als van eiseres heeft de rechtbank uit het bestreden besluit afgeleid dat de desertie niet geloofwaardig is bevonden. Dit te meer nu in het besluit niet, althans in ieder geval niet duidelijk, is ingegaan op de vraag of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade in verband met deze desertie bij terugkeer, ook al heeft de minister in het bestreden besluit het niet aannemelijk bevonden dat eisers op het moment van de uitreis daarom in de negatieve belangstelling stonden.
14. Ter zitting heeft de minister deze tegenwerping in de besluiten van zowel eiser als eiseres laten vervallen en is gesteld dat de desertie van de dochter wel geloofwaardig is bevonden. Dit betekent dat in het bestreden besluit van eiser 2.2 vervalt (is 2.1.2 van het voornemen) en in het bestreden besluit van eiseres 2.3 “Wisselende, summiere, ongerijmde en vage verklaringen over de desertie van uw dochter” (is 2.1.3 van het voornemen).
15. Verder is ter zitting besproken dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers niet in negatieve aandacht (meer) stonden vanwege het gestelde ten aanzien van hun zoon [zoon] en de detentie van eiser. De minister heeft op de zitting verklaard dat in het bestreden besluit van eiseres 2.2 “Niet eerder persoonlijke problemen ondervonden van de Eritrese autoriteiten” (dat is 2.1.2 van het voornemen van eiseres) is vervallen. De minister heeft daarbij verduidelijkt dat de vraag over de desertie van de zoon en de detentie van eiser geen onderdeel uitmaakt van het huidige asielrelaas en dus niet op geloofwaardigheid beoordeeld heeft, maar heeft vastgesteld dat wat daar ook van zij geen sprake was van negatieve aandacht voor eiser gelet op het paspoort dat eisers hebben verkregen op 2 maart 2023 en de door eisers verkregen uitreisvisa.
16. Tussen partijen is wel in geschil of eisers door de desertie van hun dochter in de negatieve aandacht staan van de Eritrese autoriteiten. Tot aan het moment van vertrek van eisers uit Eritrea is tussen partijen niet in geschil dat er daarvan geen sprake is. Zij hebben geen problemen ondervonden en zijn legaal uitgereisd in het bezit van een geldig paspoort met een uitreisvisum. Dit staat los van de vraag wat de reden daarvoor is, namelijk of er überhaupt geen negatieve aandacht bestaat voor eisers vanwege de desertie van de dochter of dat de desertie mogelijk nog niet bekend was bij de autoriteiten, dan wel dat de actie daarop nog moest komen.
17. De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil dus ziet op de vraag of er sprake is van negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten voor eisers na hun vertrek uit Eritrea en bij terugkeer naar Eritrea. De vraag of eisers bij terugkeer naar Eritrea te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag hoeft geen nadere bespreking, omdat eisers dit op de zitting hebben ingetrokken.
Onlogische verklaringen over de desertie van hun dochter en de legale uitreis
18. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Vaststaat dat de desertie van de dochter op 2 mei 2023 heeft plaatsgevonden terwijl eisers nog in Eritrea waren. In de periode tussen 2 mei 2023 en 6 september 2023 hebben zij geen problemen ondervonden met de Eritrese autoriteiten. Voorts zijn eisers legaal uitgereisd. Zij zijn daarbij gecontroleerd en hebben zonder problemen Eritrea kunnen verlaten. Dat eisers ondanks de desertie van hun dochter toch een uitreisvisum hebben gekregen, duidt er niet op dat zij in de negatieve aandacht staan, eerder het tegenovergestelde.
19. Op de zitting heeft de minister dit verder toegelicht onder verwijzing naar uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2025 [9] . Volgens de minister blijkt uit deze uitspraak dat als iemand een uitreisvisum verkrijgt, dat betekent dat je in de positieve aandacht staat, of in ieder geval dat een iemand niet in de negatieve aandacht staat zodat alleen al daarom geen sprake is van een risico op ernstige schade, ook niet bij terugkeer. De minister verwijst daartoe naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2023 (AA 2023), waaruit blijkt dat Eritrea een sterk gecontroleerd regime heeft waarin het verkrijgen van uitreisvisa zeer moeilijk is en slechts in uitzonderlijke situaties ter verkrijgen zijn [10] . Dit staat ook in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2025 (AA 2025) vermeld [11] . Hierin staat ook vermeld dat afgifte van uitreisvisa geregeld geweigerd wordt aan familieleden van personen die illegaal het land hadden verlaten. [12] Gezien dit alles krijgt iemand, indien die in de negatieve aandacht staat, geen uitreisvisum, sterker nog, iemand moet in een gunstig blaadje staan van de autoriteiten wil die persoon een visum kunnen verkrijgen. Het enkele feit dat aan eisers een visum is verstrekt maakt dus dat geen sprake is en zal zijn van negatieve aandacht. In aanvulling daarop heeft de minister ook gesteld dat het niet aannemelijk is dat de autoriteiten vier maanden na de desertie van hun dochter hiermee niet bekend zijn. Gelet op de voorgaande redenen en het feit dat het leger en de dienstplicht heel belangrijk is in Eritrea, er een strikte controle is in Eritrea en de samenleving daarop is ingericht - door bijvoorbeeld het verstrekken van voedselbonnen aan familieleden als iemand de dienstplicht vervult - vindt de minister het niet aannemelijk dat eisers in de negatieve aandacht staan van de Eritrese autoriteiten.
Wat vinden eisers in beroep?
20. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe het volgende aan. Eisers gaan er van uit dat de desertie van [dochter] nog niet bekend was toen eisers het uitreisvisum kregen. Eiser verwijst hiertoe naar het feit dat eiser pas een jaar na het vertrek van zijn zoon [zoon] gevangen werd genomen. De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 15 is vermeld, dat de minister hierover geen geloofwaardigheidsoordeel in het bestreden besluit heeft gegeven omdat de desertie van de zoon geen onderdeel uitmaakt van het asielrelaas van eiser.
Ook voert eiseres aan dat zij tijdens haar nader gehoor wel degelijk heeft verklaard dat na hun vertrek uit Eritrea sprake is van negatieve aandacht, omdat zij van de huurbaas heeft gehoord dat mensen van de veiligheidsdienst bij de woning langs zijn geweest en naar eisers vroegen.
Over de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2025, waar de minister naar verwijst, voeren eisers aan dat deze uitspraak is gebaseerd op het AA 2023, terwijl inmiddels AA 2025 van toepassing is. Dit laatste ambtsbericht werpt volgens eisers een ander licht op de uitreisvisa. Zo staat hierin weliswaar dat de uitreisvisa strikt zijn gereguleerd, maar daar staat niet dat je geen uitreisvisum krijgt als je zoon of dochter is gedeserteerd. [13] De Afdeling heeft deze informatie, die wel in het AA 2025 staat, niet betrokken in de uitspraak van 23 juni 2025. Ook staat vermeld dat voor uitreisvisa de feitelijke afgifte ervan inconsistent, arbitrair en niet transparant was [14] . Het feit dat in het AA 2025 staat dat visa geregeld werden geweigerd aan personen van wie familie illegaal het land heeft verlaten [15] betekent niet dat dat altijd zo is. Eisers hebben immers wel een visum verkregen. Ook verwijst het ambtsbericht naar diverse bronnen [16] waaruit blijkt dat geregeld geen uitreisvisum werd verstrekt. Het ambtsbericht is dus niet alles bepalend.
Eisers betwisten ook dat het ambtsbericht eenduidig is over dienstplichtontduikers/deserteurs, omdat geraadpleegde bronnen enigszins tegenstrijdige verklaringen geven over de mogelijkheden om meerdere jaren onder de radar van de Eritrese autoriteiten te blijven. In dit kader verwijzen eisers naar het AA 2025 waarin staat dat ontduikers langere tijd onopgemerkt kunnen blijven. [17] Daarom is het niet vreemd dat dochter [dochter] vier maanden onopgemerkt heeft kunnen blijven.
Mocht de minister de problemen met de Eritrese overheid vanwege desertie van hun dochter ongeloofwaardig vinden?
21. De rechtbank overweegt dat, anders dan de minister stelt, uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2025 niet volgt dat het enkele feit dat een visum is verstrekt betekent dat eisers niet in de negatieve aandacht staan, en dat hieruit juist volgt dat de overheid eisers gunstig is gezind. Uit de uitspraak volgt wel dat in het AA 2023 niet staat dat personen die in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, geen uitreisvisum kunnen krijgen. Uit het AA 2023 volgt dat het verkrijgen van uitreisvisa zeer moeilijk is en dat die alleen in uitzonderlijke gevallen worden verstrekt. Het verkrijgen van een paspoort was erg moeilijk, en werd meer gepresenteerd als een privilege dan als een recht. Het verkrijgen van een paspoort was gekoppeld aan internationaal reizen, waarvoor ook een uitreisvisum nodig was. De voorwaarden om een paspoort en uitreisvisum te verkrijgen waren arbitrair en niet transparant. [18] Om het land legaal te verlaten hadden personen nog steeds zowel een paspoort als uitreisvisum nodig, die enkel in uitzonderlijke gevallen werden verstrekt.
Daarnaast staat in het AA 2023 dat de intensiteit van deze razzia’s is toegenomen sinds de aanvang van het conflict in Tigray. Ze nam vooral sterk toe in de tweede helft van 2022, tot een ongekend hoog niveau in augustus en september 2022. Familieleden van dienstplichtweigeraars kunnen te maken krijgen met vergeldingsacties waaronder het weigeren van overheidsdiensten zoals het verstrekken van documenten. [19] Uit de uitspraak van de Afdeling volgt verder dat uit algemene bronnen blijkt dat de naleving van de dienstplicht zeer strikt en consistent wordt gemonitord. De Afdeling overweegt vervolgens dat gezien dit alles het niet aannemelijk is dat de autoriteiten niet op de hoogte waren van desertie van de zoon van de vreemdeling in die zaak ten tijde van de visumaanvraag van de vreemdeling in die zaak nu die zoon al zeven jaar zat ondergedoken volgens de stellingen van die vreemdeling. Daarom, en gelet op de overige informatie uit het AA 2023, kan uit het gegeven dat die vreemdelingen een uitreisvisum hebben verkregen, worden afgeleid dat zij niet vanwege de dienstweigering van hun zoon in de negatieve belangstelling staan van de Eritrese autoriteiten.
22. De rechtbank is - ondanks dat zij niet geheel verweerders uitleg van de uitspraak van de Afdeling volgt - van oordeel dat verweerder zich op standpunt heeft kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat de autoriteiten nog niet op de hoogte waren van de desertie van [dochter] . De rechtbank is dit van oordeel gezien het tijdsverloop van vier maanden vanaf moment van de desertie van de dochter tot aan hun vertrek waarin eisers geen problemen hebben ondervonden, in samenhang met het overige in het voorgaande gestelde over de uitspraak van de Afdeling en de daarin genoemde informatie en meer in bijzonder het feit dat Eritrea een streng gecontroleerd land is waarin dienstplicht centraal staat. Het feit dat een periode van vier maanden korter is dan de periode in voornoemde uitspraak maakt dit niet anders. Eisers stelling dat jongeren lang onder de radar kunnen blijven maakt dit evenmin anders. Het feit dat jongeren lang uit handen van de autoriteiten kunnen blijven en niet opgepakt worden bij bijvoorbeeld razzia’s betekent niet dat het feit dat zij hun dienstplicht ontduiken onopgemerkt is gebleven.
23. De rechtbank is verder van oordeel dat het voorgaande in combinatie met het feit dat het uitreisvisum slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt verstrekt, maakt dat - in lijn met de uitspraak van de Afdeling - het feit dat eisers een uitreisvisum verkregen hebben aangeeft dat zij niet in negatieve aandacht staan. De verwijzing van eisers ter zitting naar het nader gehoor van eiseres waarin zij heeft verklaard dat autoriteiten langs zijn geweest toen zij in Nederland waren maakt dat niet anders. Met eisers is rechtbank van oordeel dat het zorgvuldiger was geweest als verweerder dat uitdrukkelijk had meegewogen in de besluitvorming maar verweerder heeft in het licht van al het voorgaande op de zitting voldoende toegelicht dat met deze enkele stelling niet aannemelijk is gemaakt dat de veiligheidsdiensten langs zijn geweest.
24. De overige gronden van eisers waarin zij verwijzen naar specifieke punten in het AA 2025 (zie overweging 20) geven geen aanleiding voor een ander oordeel omdat naar het oordeel van de rechtbank het AA 2025 op dit punt niet wezenlijk anders is dan het AA 2023. Zo maakt het feit dat in AA 2025 staat dat een uitreisvisum regelmatig werd geweigerd aan familieleden van personen die illegaal het land hadden verlaten en dat dit niet staat in AA 2023, niet dat AA 2025 wezenlijk anders is en dat het oordeel van de Afdeling niet meer gevolgd kan worden. Ook aan de verwijzing naar de woorden “in de regel” en “geregeld” en dat dit dus niet altijd het geval is heeft verweerder niet die waarde hoeven hechten die eisers daaraan hechten.
25. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ook heeft mogen vinden dat eisers hun asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk hebben ingediend en daarvoor geen goede verklaring hebben. Eisers zijn namelijk met een Italiaans visum naar Nederland gekomen op 6 september 2023 en hun visum was geldig tot 6 december 2023. Eisers hebben vervolgens op 7 december 2023 kenbaar gemaakt dat zij asiel wensten aan te vragen en hebben daadwerkelijk op 16 december 2023 hun asielaanvraag ingediend. De minister heeft mogen vinden dat eisers geen verschoonbare reden hebben aangedragen voor het feit dat zij pas op 7 december 2023 kenbaar hebben gemaakt asiel te wensen. Eisers wisten immers reeds twee maanden na aankomst in Nederland dat hun dochter was gedeserteerd, zodat het in de rede had gelegen om direct daarna asiel aan te vragen. Dat eisers in de veronderstelling waren dat hun visum nog liep tot 6 december 2023 laat onverlet dat zij dan een dag te laat zijn met kenbaar maken van asielwens.
Mocht de minister vinden dat eisers bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico lopen op ernstige schade?
26. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege de desertie van de dochter bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade zal lopen. Verweerder heeft hierbij kunnen wijzen op het feit dat eisers volgens eigen verklaringen zonder problemen een uitreisvisum en paspoort hebben gekregen om hun kind in Nederland te bezoeken en zij Eritrea legaal zijn uitgereisd.
27. Ook hebben eisers het niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege andere redenen bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade lopen. De rechtbank stelt vast dat het uitreisvisum geldig was van 29 augustus 2023 tot 28 september 2023, maar dat daarop geen terugkeerdatum staat vermeld. Ter zitting is vastgesteld dat dit ook niet in geschil is tussen partijen, zodat uit dien hoofde er geen sprake is van een te late terugkeer waaruit al dan niet gevaar kan voortvloeien.
28. Wel in geschil is of door het feit dat eisers asiel hebben aangevraagd in Nederland en vervolgens terugkeren naar Eritrea zij een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister daartoe verwezen naar het AA 2025, welk ambtsbericht ten tijde van de besluitvorming nog niet was uitgebracht, en gesteld dat omdat aan eisers een uitreisvisum is verstrekt en zij legaal zijn uitgereisd, zij bij terugkeer geen reëel risico lopen op ernstige schade.
28. Eiser bestrijdt dit en verwijst daartoe naar het AA 2025 en dan met name
paragraaf 5.2 Risico’s bij terugkeer [20] . Eisers wijzen erop dat er verschillende bronnen zijn geraadpleegd en dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen gedwongen en vrijwillige terugkeer. Onder het kopje ‘gedwongen terugkeer’ [21] staat vermeld dat Amnesty International aangaf dat de Eritrese autoriteiten het verzoeken om asiel in het buitenland, als een vorm van landverraad beschouwden die bestraft moest worden. Ook wijzen eisers op het kopje
vrijwillige terugkeer [22] waar staat vermeld dat de willekeur en inconsistentie die het handelen van de Eritrese autoriteiten kenmerkten, en ervoor konden zorgen dat ook het bezitten van een diasporastatus of seven year card de terugkeerder niet volledig verzekerde van een ongehinderd verblijf en bij terugkeer problemen kunnen krijgen. In het geval eisers, die asiel hebben aangevraagd, wijzen eisers op
paragraaf 5.2.3, waar het volgende staat vermeld: “Ook terugkeer naar Eritrea na een legale uitreis vrijwaarde de terugkeerder overigens niet van problemen, tekende [naam] op. Als de migrant na legale uitreis in het buitenland asiel had aangevraagd, was dit bijvoorbeeld een duidelijke risicofactor (zie ook
paragraaf 5.2.1)”.
30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico lopen op ernstige schade omdat zij hier asiel hebben aangevraagd. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat allereerst van eisers verwacht mag worden dat zij vrijwillig terugkeren, en verder dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is, c.q. niet duidelijk is of eisers in de toekomst gedwongen zullen worden om terug te keren naar Eritrea. De rechtbank begrijpt deze stelling van de minister in het licht van het gestelde in hoofdstuk C7/13.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waaruit blijkt dat gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea niet zal plaatsvinden. De rechtbank volgt derhalve het standpunt van de minister dat er uit dien hoofde geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade.
31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ook verder (voor wat betreft een vrijwillige terugkeer) op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De verwijzing van eisers naar de informatie in het AA 2025 over de manier waarop de Eritrese autoriteiten terugkeerders naar Eritrea behandelen en de daarvoor bepalende risicofactoren, zoals het aanvragen van asiel in het buitenland, en dat ook bij terugkeer na een illegale uitreis het handelen van de Eritrese autoriteiten gekenmerkt wordt door willekeur en inconsistentie, heeft de minister daarvoor onvoldoende mogen vinden. Deze verwijzing is als te algemeen en niet geïndividualiseerd naar de situatie van eisers. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat eisers zijn uitgereisd met een geldig visum en dat daarover in AA 2025 staat vermeld dat in dat geval in het algemeen een terugkeer mogelijk is zonder problemen met de autoriteiten te krijgen. Dat eisers gezien hun verblijf in het buitenland voor langere tijd bij terugkeer ondervraagd zullen worden. maakt dit niet anders. Dit betekent niet dat bekend zal worden dat eisers asiel in Nederland hebben aangevraagd. Van eisers mag worden verwacht dat zij deze informatie niet zullen delen met de Eritrese autoriteiten. Er zijn (daarom) onvoldoende aanknopingspunten dat eisers bij een terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade lopen.

Conclusie en gevolgen

32. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.genoemd onder 2.1.1 van het voornemen en onder 2.1 van het besluit
3.genoemd onder 2.1.2 van het voornemen en onder 2.2 van het besluit
4.genoemd onder 2.1.3 van het voornemen en onder 2.3 van het besluit
5.genoemd onder 2.1.1 van het voornemen en onder 2.1 van het besluit
6.genoemd onder 2.1.2 van het voornemen en onder 2.2 van het besluit
7.genoemd onder 2.1.3 van het voornemen en onder 2.3 van het besluit
8.genoemd onder 2.1.4 van het voornemen en onder 2.4 van het besluit
10.pagina 19 van AA 2023
11.pagina 24, 25 en 26 van AA 2025.
12.Pagina 26 van AA 2025
13.op pagina 24 tot en met 27
14.pagina 25 van het algemeen ambtsbericht Eritrea december 2025
15.Pagina 26 van AA 2025
16.Pagina 25 en 25 van het algemeen ambtsbericht Eritrea 2025
17.Pagina 34 van het algemeen ambtsbericht Eritrea 2025
18.zie AA 2023, pagina 19
19.pagina 46 van het AA 2023
20.Pagina 51-54
21.pagina 52
22.pagina 53