ECLI:NL:RBDHA:2026:1761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
24/6747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:1 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen omgevingsvergunning verhoging slachtcapaciteit kuikens

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een door het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas verleende omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor het verhogen van de slachtcapaciteit van kuikens van 170.000 naar 205.000 per dag. Eiser betwist de vergunning en voert meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het beroep. Op grond van de toepasselijke overgangsregels is de Wabo van toepassing. Volgens artikel 8:1 Awb Pro kan alleen een belanghebbende beroep instellen, waarbij belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. De rechtbank hanteert het criterium van gevolgen van enige betekenis voor het persoonlijk belang.

De rechtbank stelt vast dat de door eiser ervaren geurhinder niet aannemelijk is, mede gelet op het Peutz-rapport en de afstand van circa 885 meter tot de inrichting. Ook de vrees voor verkeersoverlast en fijnstof wordt niet aannemelijk geacht, mede door de rijroute van vrachtwagens. Hierdoor ontbreken gevolgen van enige betekenis voor eiser.

De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser geen persoonlijk belang heeft bij het besluit en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank gaat niet in op de inhoudelijke beroepsgronden. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan persoonlijk belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas

(gemachtigde: A. Scholtes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghoudster verleende vergunning voor het verhogen van de slachtcapaciteit van kuikens tot 205.000 per dag. Eiser is het niet eens met deze vergunning en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is en komt dus niet toe aan een inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden. De gevolgen van de vergunde activiteit zijn naar oordeel van de rechtbank dermate gering dat een persoonlijk belang van eiser bij het bestreden besluit ontbreekt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster drijft een pluimveeslachterij. Op grond van de geldende revisievergunning van 20 november 2020 geldt een maximum slachtcapaciteit van 170.000 kuikens per dag. Op 14 augustus 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het verhogen van de slachtcapaciteit naar 205.000 kuikens per dag. Volgens vergunninghoudster leidt het verhogen van de slachtcapaciteit niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan. [1]
2.1.
Het college heeft het bestreden besluit voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. [2] De aanvraag en het ontwerpbesluit hebben van 8 april 2024 tot en met 21 mei 2024 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het college heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2024 verleend voor de activiteit ‘milieu’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, namens het college de gemachtigde en ing. S.J. van Oosten en namens vergunninghoudster de gemachtigde en de bedrijfsleider ( [naam] ).

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

4. Voordat het beroep inhoudelijk kan worden behandeld, zal de rechtbank eerst de door het college en vergunninghoudster opgeworpen vraag moeten beantwoorden of eiser ontvankelijk is in zijn beroep.
4.1.
Artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."
4.2.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."
4.3.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [3]
4.4.
Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit neemt niet weg dat een normering van milieugevolgen door een afstandseis, een contour of een grenswaarde wel van belang kan zijn bij beantwoording van de vraag of sprake is van gevolgen van enige betekenis. [4] Geur
5. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser feitelijk van de inrichting te ondervinden hinder, waaronder geurhinder, niet zodanig is dat eiser op basis daarvan als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt. Eiser stelt geuroverlast te ervaren, maar heeft dit niet met enige objectieve gegevens onderbouwd. Uit het rapport van Peutz van 14 augustus 2023, waarin de consequenties van de milieueffecten bij de verhoging van de slachtcapaciteit zijn opgenomen, volgt dat op 52 meter (gemeten vanaf de aanvoerhal) al aan de grenswaarde van 0,55 Ou/m3 als 98 percentiel voor geurhinder wordt voldaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de afstand tussen de woning van eiser aan de [adres] en het perceel van vergunninghoudster ongeveer 885 meter is, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat door eiser geurhinder van enige betekenis wordt ondervonden. Voor zover eiser de juistheid van het rapport van Peutz betwist, overweegt de rechtbank dat enige onderbouwing van eiser hiervoor ontbreekt.
Verkeer en fijnstof
6. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om eiser als belanghebbende aan te merken vanwege zijn vrees voor verkeersoverlast en fijnstof, als gevolg van het verkeer dat van en naar de slachterij rijdt. Gezien de op zitting gegeven toelichting van vergunninghoudster, waaruit blijkt dat de vrachtwagens met kuikens, gelet op de rijroute, niet in de nabijheid van de woning van eiser rijden, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser op het gebied van verkeersoverlast en fijnstof gevolgen van enige betekenis ondervindt.
7. Gelet op het voorgaande zijn de gevolgen van de vergunde activiteit naar oordeel van de rechtbank dermate gering dat een persoonlijk belang van eiser bij het besluit tot vergunningverlening ontbreekt. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk behandelt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de Wabo.
2.Als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb en paragraaf 3.3 van de Wabo.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066.