ECLI:NL:RBDHA:2026:17600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31076
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van significant risico op onderduiken

De minister van Asiel en Migratie legde op 3 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.

Eiser betwistte enkele zware gronden, waaronder het bezit van een geldig Ests reisdocument en het vermeende niet-verschijnen bij een vertrekgesprek. De rechtbank oordeelde dat het reisdocument en de verblijfsstatus slechts recht gaven op kort verblijf in het Schengengebied, terwijl eiser na binnenkomst asiel aanvroeg, wat een ander doel is dan kort verblijf. Ook het vertrek met onbekende bestemming werd als zwaarwegende grond erkend.

De rechtbank concludeerde dat de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, waardoor de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is. De ambtshalve toets bevestigde dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31076
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een afstandsverklaring ondertekend en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Russische nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1977 is geboren.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht
aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden onder 3a en 3k. Wat betreft 3a: hij beschikte over een geldig Ests reisdocument en een verblijfsstatus, waarmee Schengen-inreis was toegestaan. Wat betreft 3k: dit is gebaseerd op het vermeende niet-verschijnen bij een vertrekgesprek en eerdere MOB-meldingen, maar eiser is wel verschenen bij het vertrekgesprek.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser, met het reisdocument en de verblijfsstatus, afgegeven door de autoriteiten van Estland, voor de duur van maximaal 90 dagen vrij mocht reizen in het Schengengebied voor toerisme, familiebezoek of zakelijke besprekingen. Nu eiser na binnenkomst een asielaanvraag heeft ingediend, blijkt dat hij met een ander doel Nederland is ingereisd dan kort verblijf. De minister heeft de onder 3a bedoelde zware grond dan ook mogen tegenwerpen.
5. Verder staat vast dat eiser op 27 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Al hierom heeft de minister ook de onder 3k bedoelde zware grond mogen tegenwerpen. Of eiser, zoals hij stelt, bij het vertrekgesprek is verschenen, behoeft geen bespreking.
6. De zware gronden onder 3a en 3k en de niet-betwiste gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.