ECLI:NL:RBDHA:2026:17590

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31074
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 3 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 10 juni 2026 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 15 juni 2026.

Eiser voerde aan dat het binnentreden in zijn woning onrechtmatig was omdat de deur met een loper werd geopend zonder hem eerst de gelegenheid te geven zelf te openen. De rechtbank oordeelde dat het binnentreden rechtmatig was, aangezien de verbalisanten een geldige machtiging hadden, zich legitimeerden en het doel van binnentreden mededeelden, ondersteund door een tolk.

Verder bestreed eiser het bestaan van een significant risico op onttrekking aan toezicht en de noodzaak van de bewaring als zwaar middel. De rechtbank stelde vast dat de niet-bestreden gronden voldoende waren om het risico aan te nemen en dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond. Ook het recht van eiser om persoonlijk te worden gehoord werd afgewogen tegen het fundamentele recht op vrijheid, waarbij de minister prioriteit mocht geven aan een korte duur van de inbewaringstelling.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31074
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 10 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt dat hij de Albanese nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1978 is geboren.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Wijze van binnentreden
3. Eiser voert aan dat onrechtmatig is binnengetreden. De voordeur van de woonunit van eiser is met een loper geopend, terwijl aan eiser eerst de gelegenheid had moeten worden geboden om zelf de deur te openen.
4. De rechtbank oordeelt dat het binnentreden van de woning van eiser niet onrechtmatig was. Niet in geschil is dat de verbalisanten in bezit waren van een geldige machtiging tot binnentreden van de woning. Uit het proces-verbaal van binnentreden van 3 juni 2026 volgt dat de verbalisant zich heeft gelegitimeerd, de machtiging heeft getoond en het doel van binnentreden heeft medegedeeld. Een en ander is vertaald met behulp van een tolk in de Albanese taal. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verbalisant gehouden was om te kloppen of aan te bellen alvorens de woning van eiser te betreden.1 De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser voert aan dat geen significant risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken en stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet zou meewerken aan een overdracht naar Luxemburg.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser aldus alleen de zware grond onder 3k heeft bestreden. De niet-betwiste gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Deze gronden volstaan al om aan te nemen dat sprake is van een significant risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor verdere bespreking van deze beroepsgrond.

Lichter middel

1. Vgl. de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5212.
8. Eiser voert aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met toepassing van een lichter middel. Eiser stelt dat hij reeds verbleef op een bekende COA-locatie, zich aan zijn meldplicht hield en in contact stond met zijn asieladvocaat en de DT&V. Gelet op deze omstandigheden lag het volgens eiser op de weg van de minister om concreet te motiveren dat niet kon worden volstaan met voortzetting van de meldplicht of een andere minder dwingende maatregel.
9. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de niet-bestreden gronden van de maatregel en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestond. Eiser is bovendien in een eerdere asielprocedure in Nederland met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft medegedeeld dat het aan eiser zelf is om bijzondere feiten of omstandigheden aan te dragen die tot de conclusie nopen dat toepassing van een lichter middel geboden is. Niet is gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend zouden maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Aanwezigheidsrecht

10. Eiser voert aan dat hij op 4 juni 2026 uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt gebruik te willen maken van zijn recht om persoonlijk ter zitting te worden gehoord. Desondanks is eiser op 10 juni 2026 overgedragen. Niet is gebleken dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van een onmiddellijke overdracht en anderzijds het belang van eiser om gebruik te kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
10. Hoewel het recht om op zitting te worden gehoord een fundamenteel onderdeel is van de mogelijkheid om de inbewaringstelling te bestrijden, is dit recht niet absoluut en weegt dit niet zwaarder dan het fundamentele recht op vrijheid.2 De minister heeft in dit geval prioriteit mogen geven aan het belang om de inbewaringstelling zo kort mogelijk te laten duren.3
Ambtshalve toets
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Artikel 5 van Pro het EVRM.
3 Vgl. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4343.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.