Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.3547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8 EVRMArt. 18 Vw 2000Art. 19 Vw 2000Besluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking verblijfsrecht wegens onvoldoende motivering, rechtsgevolgen blijven in stand

De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsrecht met terugwerkende kracht per 28 november 2020. Het bestreden besluit van 7 januari 2025 werd vernietigd omdat eiser niet was gehoord, wat in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht. De minister heeft in beroep alsnog een hoorzitting gehouden en een aanvullende motivering gegeven.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of de minister het verblijfsrecht terecht met terugwerkende kracht mocht intrekken. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat eiser langer dan zes maanden, namelijk van mei 2020 tot maart 2023, buiten Nederland verbleef, onder meer door inschrijving als niet-ingezetene en verblijf in Turkije met gezin. Eiser kon dit niet voldoende weerleggen met bewijsstukken.

Verder oordeelt de rechtbank dat de intrekking met terugwerkende kracht niet in strijd is met Besluit 1/80, omdat eiser langer dan twee jaar buiten Nederland verbleef en daarmee zijn rechten op grond van dat besluit zijn verloren. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt, omdat de minister een juiste belangenafweging heeft gemaakt en eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn privéleven zwaarder zou moeten wegen.

Het beroep op het arrest Chavez-Vilchez wordt verworpen omdat eiser geen bewijs leverde van zorg- en opvoedingstaken voor zijn Nederlandse kinderen. Ten slotte is het evenredigheidsbeginsel voldoende toegepast door de minister. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten van €1.868.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het verblijfsrecht wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3547

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het verblijfsrecht van eiser met terugwerkende kracht per 28 november 2020. Eiser is het niet eens met het intrekken van zijn verblijfsrecht. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het verblijfsrecht van eiser mocht intrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van 7 januari 2025 onvoldoende was gemotiveerd omdat eiser niet was gehoord. Dat besluit wordt dus vernietigd. Omdat de minister in beroep alsnog een voldoende motivering heeft gegeven, kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 7 januari 2025 wel in stand blijven. Dat betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat de intrekking van het verblijfsrecht van eiser (ook met terugwerkende kracht) wel zo blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Onder 4 de vraag of de minister het verblijfsrecht van eiser (met terugwerkende kracht) mocht intrekken. Daarna gaat de rechtbank onder 5 in op de vraag of de minister van de intrekking af had moeten zien op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Onder 6 beantwoordt de rechtbank de vraag of de minister het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez voldoende heeft onderzocht. Daarna, onder 7, gaat de rechtbank nog in op het evenredigheidsbeginsel. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 22 juli 2024 heeft de minister eiser geïnformeerd dat hij voornemens is de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ in te trekken vanaf 28 november 2020 omdat eiser bijna 3 jaar buiten Nederland zou hebben verbleven en daarmee zijn hoofdverblijf heeft verplaatst.
2.1.
Op 24 september 2024 heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning daadwerkelijk ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 28 november 2020.
2.2.
Eiser heeft daar op 11 oktober 2024 bezwaar tegen ingediend. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op 23 juli 2025 aan de rechtbank laten weten een gebrek in het bestreden besluit te willen herstellen. De minister heeft eiser daartoe op 12 september 2025 gehoord en heeft op 27 oktober 2025 een aanvullend besluit genomen. Eiser heeft daarop niet gereageerd.
2.5.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het besluit van 7 januari 2025 en de aanvullende motivering van 27 oktober 2025
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord over het door hem ingediende bezwaarschrift. De minister heeft dat hangende beroep erkend en heeft eiser alsnog uitgenodigd voor een hoorzitting. Na die hoorzitting heeft de minister een aanvullende motivering uitgebracht. De minister heeft desgevraagd op zitting laten weten dat het besluit van 7 januari 2025 daarmee niet is ingetrokken, maar aangevuld. Niet in geschil is daarom dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 7 januari 2025 voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal hieronder, aan de hand van de overige beroepsgronden van eiser, beoordelen of de minister het besluit door zijn aanvulling van 27 oktober 2025 alsnog voldoende heeft gemotiveerd en zo ja, of de rechtsgevolgen van het besluit van 7 januari 2025 om die reden in stand kunnen blijven. De rechtbank concludeert dat dat het geval is. Dat licht de rechtbank hieronder toe.
Mocht de minister het verblijfsrecht van eiser (met terugwerkende kracht) intrekken?
4. Eiser betoogt dat de minister zijn verblijfsrecht niet mocht intrekken omdat eiser zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaats. Dat mocht zeker niet met terugwerkende kracht. Eiser valt namelijk onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80. [1]
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. [2] Ook is niet in geschil dat daarvan in beginsel sprake is wanneer de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. [3] Wel is in geschil of de minister terecht aanneemt dat eiser zijn hoofdverblijf gedurende enige periode buiten Nederland heeft gevestigd, omdat hij langere tijd in Turkije zou hebben verbleven. Verder is ook in geschil of de intrekking met terugwerkende kracht strijd oplevert met Besluit 1/80.
Heeft eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd?
4.2.
De beroepsgrond op dit punt slaagt niet. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom hij ervan uitgaat dat eiser de periode tussen 27 mei 2020 en 31 maart 2023 buiten Nederland heeft verbleven. Zo stond eiser in die periode ingeschreven in de Basisregistratie Personen als niet-ingezetene. De minister ziet daarin terecht een sterke aanwijzing dat eiser zich niet in Nederland bevond. Verder wijst de minister er terecht op dat eiser in de periode dat hij niet in Nederland stond ingeschreven, in Turkije is getrouwd en dat hij en zijn echtgenote een kind hebben gekregen dat, op [datum] 2023, in Turkije is geboren. Zijn echtgenote en kind wonen nog altijd in Turkije. Verder heeft eiser een kind uit een eerdere relatie met een Poolse vrouw, die uit beeld zou zijn. Ook dit kind woont in Turkije, bij de moeder van eiser. Ook dit zijn aanwijzingen dat eiser langere tijd in Turkije heeft verbleven.
4.2.1.
Eiser heeft met zijn verklaringen en de door hem overgelegde documenten onvoldoende aangetoond dat hij zich in die periode nog wel in Nederland bevond. Zo stelt de minister terecht dat eiser weliswaar afschriften van twee bankrekeningen heeft overgelegd, maar dat dat zakelijke bankrekeningen zijn die – nog los van het feit dat ze niet op naam van eiser staan en niet aan hem te linken zijn – alleen transacties bevatten waarvoor fysieke aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk was. Eiser heeft ook, ondanks het feit dat de minister hem uitdrukkelijk op een aantal mogelijke bewijsstukken heeft gewezen, niet met andere stukken aannemelijk gemaakt maken dat hij in de betreffende periode in Nederland verbleef, zoals bijvoorbeeld een paspoort met in- en uitreisstempels, verklaringen van de personen bij wie hij zou hebben verbleven en betalingen voor de ziektekostenverzekering die eiser stelt te hebben gehad in de betreffende periode. De verklaringen die eiser geeft voor het ontbreken van verdere stukken acht de minister terecht onvoldoende. Dit geldt ook voor de wél door eiser overgelegde stukken. Zo zien de door eiser overgelegde vliegtickets op reizen buiten de relevante periode, is de aan eiser opgelegde boete ook van buiten de relevante periode en volgt uit de aangifte inkomstenbelasting over 2023 dat eiser bij de Belastingdienst heeft verklaard dat hij in ieder geval van 1 januari 2023 tot 30 maart 2023 in Turkije woonde. Dat eiser kennelijk wel in staat is om veel bewijs te leveren van zijn aanwezigheid in Nederland ná de relevante periode, roept nog sterker de vraag op waarom hij dan geen bewijs kan leveren van zijn verblijf in Nederland tijdens die periode. De minister mocht er daarom vanuit gaan dat eiser langer dan 6 maanden buiten Nederland heeft verbleven, zodat hij de aan eiser verleende verblijfsvergunning mocht intrekken. Hieronder gaat de rechtbank in op de vraag of de minister dat ook met terugwerkende kracht mocht doen.
Handelt de minister in strijd met Besluit 1/80?
4.3.
Ook dit deel van de beroepsgrond slaagt niet. Uit paragraaf B10/4.4 van de Vc 2000 volgt dat het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, en artikel 7 van Pro Besluit 1/80 voor een Turkse werknemer of het gezinslid verloren gaat, onder andere, bij langdurige afwezigheid uit Nederland zonder gegronde reden. Daarbij wordt aangenomen dat geen sprake is van langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland als de Turkse werknemer of het gezinslid korter dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, of Nederland heeft verlaten om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, en hiervan sprake was gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden, of Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht. Als de Turkse werknemer of het gezinslid gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 6 en Pro/of 7 van Besluit 1/80, wordt langdurige afwezigheid en daarmee verlies van de rechten van artikel 6 en Pro/of 7 van Besluit 1/80 aangenomen als de werknemer of het gezinslid in ieder geval twee jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven. De reden van de afwezigheid is in dat geval niet van belang.
4.3.1.
Uit 4.2 en 4.2.1 volgt dat de minister er terecht vanuit gaat dat eiser tussen 27 mei 2020 en 31 maart 2023, dus langer dan twee jaar, buiten Nederland heeft verbleven. Of eiser daarvoor een gegronde reden had is daarom niet van belang. Voor zover eiser rechten had opgebouwd op grond van Besluit 1/80, zijn die rechten door zijn verblijf buiten Nederland verloren gegaan. [4] Besluit 1/80 staat dus niet aan de intrekking van eisers verblijfsrecht in de weg. Voor zover eiser betoogt dat het intrekken met terugwerkende kracht voorheen niet gebeurde en daarom een nieuwe beperking oplevert in strijd met artikel 13 van Pro Besluit 1/80, merkt de rechtbank op dat uit het voorgaande ook volgt dat eiser niet (langer) rechten kan ontlenen aan artikel 13 van Pro Besluit 1/80. De rechtbank laat zich daarom niet uit over de vraag of het intrekken met terugwerkende kracht een niet-toegestane nieuwe beperking vormt in de zin van artikel 13 van Pro Besluit 1/80. Dit betekent dat eiser onder het ‘normale’ vreemdelingenrecht valt zodat de minister het verblijfsrecht van eiser niet alleen mocht intrekken, hij mocht dat ook met terugwerkende kracht doen vanaf het moment dat eiser langer dan 6 maanden buiten Nederland verbleef.
Had de minister van de intrekking af moeten zien op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
5. Eiser betoogt dat de minister van de intrekking had moeten afzien op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft namelijk beschermingswaardig privéleven opgebouwd in Nederland en de belangen van de minister om het verblijfsrecht in te trekken wegen niet op tegen de belangen van eiser om zijn privéleven hier in Nederland voort te mogen zetten. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op het door de minister opgestelde Informatiebericht 2024/9 (IB 2024/9). Uit dat informatiebericht volgt namelijk dat privéleven dat is opgebouwd tijdens legaal verblijf, anders dan in geval van illegaal verblijf, niet uitzonderlijk hoeft te zijn om te kunnen leiden tot een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [5] De minister heeft ook ten onrechte onvoldoende betrokken welk aandeel eiser heeft gehad in de periode waarin zijn verblijfsrecht precair was. Dat eiser verder privéleven heeft opgebouwd tijdens een precair verblijfsrecht kan daarom maar minimaal in zijn nadeel worden meegewogen. De minister heeft verder ten onrechte geen ‘fair balance’ getroffen tussen het belang van eiser bij de uitoefening van zijn familie- en gezinsleven en zijn privéleven enerzijds en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat. Eiser heeft namelijk sinds 2009 nooit een beroep gedaan op de openbare kas. De minister had moeten onderbouwen waarom het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid desondanks zwaarder weegt dan eisers belang.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt dat de banden die eiser met Nederland in het kader van privéleven heeft niet de banden met het land van herkomst overstijgen. Zo wijst eiser in het kader van privéleven vooral op zijn verblijfsduur en de (gestelde) periode met zijn collega’s bij Liander, terwijl eiser 23 jaar in Turkije heeft doorgebracht, daar recentelijk nog een langere periode heeft verbleven. Eiser is daar getrouwd en meerdere kinderen en zijn echtgenote wonen in Turkije. De minister neemt verder niet ten onrechte aan dat eiser zich als volwassenen man in Turkije staande zal kunnen houden en dat hij daar het gezinsleven met zijn echtgenote en zijn twee jongste kinderen zal kunnen voortzetten, nu zij zich ook in Turkije bevinden. Dat de minister het belang van de Nederlandse staat nog verder had moeten onderbouwen dan nu in het bestreden besluit is gedaan volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk weinig tot geen informatie verstrekt over zijn privéleven in Nederland en welke belangen volgens hem dan zwaarder zouden moeten wegen dan de door de minister genoemde belangen van de Nederlandse staat. Dat het door eiser opgebouwde privéleven tijdens legaal verblijf volgens het aangehaalde informatiebericht niet uitzonderlijk hoeft te zijn leidt niet tot een ander oordeel. De minister stelt zich namelijk niet op het standpunt dat het privéleven van eiser uitzonderlijk diende te zijn en heeft verder blijkens het voorgaande de belangenafweging op de juiste manier verricht. Niet duidelijk is wat eiser dan met zijn beroepsgrond beoogt te bereiken.
Heeft de minister het beroep van eiser op het arrest Chavez-Vilchez [6] voldoende onderzocht?
6. Eiser betoogt dat de minister heeft nagelaten om het expliciete beroep op het arrest Chavez-Vilchez nader te onderzoeken, terwijl niet in geschil is dat eiser uit een eerder huwelijk twee kinderen heeft met de Nederlandse nationaliteit en dat eiser zorg- en opvoedingstaken uitvoert voor deze Nederlandse kinderen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat onjuist is dat niet in geschil zou zijn dat eiser zorg- en opvoedingstaken uitvoert voor zijn Nederlandse kinderen. De minister wijst er in de aanvullende motivering terecht op dat eiser tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij al gedurende zo’n zeven jaren geen contact heeft met zijn Nederlandse kinderen. Dat de moeder van de kinderen dat contact, ondanks een omgangsregeling, zou tegenhouden en dat het gebrek aan contact eiser daarom niet mag worden aangerekend is door eiser niet onderbouwd met bijvoorbeeld stukken van die omgangsregeling of de pogingen die eiser zou hebben ondernomen om alsnog contact met zijn kinderen te kunnen krijgen. De minister heeft er in de besluitvormingsfase meerdere malen op gewezen dat eiser zijn beroep op het arrest Chavez-Vilchez niet nader heeft onderbouwd. De minister heeft eiser ook meerdere malen in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. Eiser heeft dat ook nu in beroep niet gedaan. Dat de minister het beroep op dat arrest nader had moeten onderzoeken volgt de rechtbank dus niet.
Heeft de minister onvoldoende toepassing gegeven aan het evenredigheidsbeginsel?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende toepassing heeft gegeven aan het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft ten onrechte geen beoordeling verricht waaruit volgt of de gevolgen van de intrekking van eisers verblijfsvergunning evenredig zijn in verhouding tot de belangen van de Nederlandse staat.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen heeft de minister steeds in alle besluitonderdelen voldoende rekening gehouden met de door eiser naar voren gebrachte argumenten en heeft daarbij – waar nodig – steeds een afweging van alle betrokken belangen plaatsgevonden. De minister heeft daarmee voldoende invulling gegeven aan het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

8. Zoals de rechtbank onder 3 al heeft vastgesteld is het bestreden besluit genomen zonder eiser te horen. Daarmee is dat besluit genomen in strijd met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond. De minister heeft echter in beroep eiser alsnog gehoord en daarna voldoende gemotiveerd dat en waarom hij de vergunning van eiser (met terugwerkende kracht) heeft ingetrokken en waarom hij niet van die intrekking heeft afgezien op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. [7]
8.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen voor zover die zien op kosten die gemaakt zijn voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. W.P.C.G. Derksen en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie.
2.Artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Paragraaf B1/6.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Vergelijk ABRvS 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1194.
5.Vergelijk ABRvS 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661.
6.ECLI:EU:C:2017:354.
7.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.