ECLI:NL:RBDHA:2026:17356
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing driejarenbeleid bij berekening rechtmatig verblijf in vreemdelingenprocedure
Eiser, een Turkse kennismigrant, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen vanwege een niet marktconform salaris. Eiser stelde dat het salaris wel marktconform was en voerde beroep aan tegen de afwijzing. Tijdens de procedure werd een voorlopige voorziening toegewezen die het besluit schorst en uitzetting voorkwam.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het driejarenbeleid, waarbij eiser stelde dat de periode van de bezwaarprocedure moet worden meegerekend als rechtmatig verblijf. De minister betwistte dit, stellende dat de bezwaarprocedure geen schorsende werking heeft en die periode niet meetelt.
De rechtbank overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening tijdens bezwaar van rechtswege wordt gelijkgesteld met een verzoek tijdens beroep, waardoor de gehele periode vanaf het indienen van de voorlopige voorziening meetelt. Dit betekent dat de bezwaarperiode in het geval van eiser wel degelijk meetelt voor het driejarenbeleid.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het driejarenbeleid betreft en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de minister voor zover het driejarenbeleid betreft, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.