Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17339

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.18674
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000Artikel 16 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning machtiging voorlopig verblijf nareis op grond van feitelijke gezinsband

Eiseres, van Jemenitische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis als echtgenote van referent, die een verblijfsvergunning asiel had gekregen. De minister wees de aanvraag af omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er op het peilmoment, 1 november 2021, een feitelijke gezinsband bestond. De minister baseerde dit op het feit dat partijen vrijwel het gehele huwelijk op afstand hadden geleefd, geen gezamenlijke huishouding voerden en dat het contact vooral oppervlakkig was.

De rechtbank stelde vast dat eiseres en referent elkaar in 2016 leerden kennen, in 2018 trouwden en kort daarna samenwoonden bij de ouders van referent. Ondanks studieverplichtingen en visumproblemen hebben zij contact onderhouden via telefoon en app, en pogingen gedaan om in hetzelfde land te studeren. De rechtbank vond de verklaringen en getuigenverklaringen over samenwoning en contact overtuigend en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom dit geen feitelijke gezinsband zou zijn.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over het ontbreken van een feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.18674
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1999, van Jemenitische nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis asiel.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de heer [referent], referent, T. Sleiman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister.
1.4.
Eiseres heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar deze zaak over gaat
2. Eiseres is getrouwd met referent, beiden hebben de Jemenitische nationaliteit. Aan referent is op 30 november 2021 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Vervolgens heeft referent op 2 augustus 2022 namens eiseres verzocht om een mvv in het kader van nareis.
3. Eiseres en referent hebben verklaard dat zij elkaar in 2016 hebben leren kennen aan de Universiteit van Hudayda in Jemen. Zij kregen toen een relatie. Zij hebben zich vervolgens aangemeld voor diverse universiteiten in het buitenland, maar het is hen niet gelukt om aan dezelfde universiteit te worden toegelaten. Op 14 juli 2018 zijn eiseres en referent met elkaar gehuwd. In de periode direct na het huwelijk hebben zij gedurende ongeveer een maand bij de ouders van referent gewoond en werden zij door hen onderhouden. Daarna, in augustus 2018, is eiseres naar Bangladesh vertrokken om daar te gaan studeren. Referent is in 2019 begonnen met een studie in Turkije. Na het vertrek van eiseres hebben partijen contact met elkaar onderhouden via WhatsApp. Eiseres heeft zich in 2019 ook aangemeld voor een universiteit in Turkije, maar haar aanvraag voor een studiebeurs is afgewezen. Referent verbleef tot 2021 in Turkije. Vanwege visumproblemen en zijn studie kon hij niet naar Bangladesh reizen. Referent is in 2021 naar Nederland gereisd en heeft hier asiel aangevraagd. Eiseres verbleef tot eind november 2020 in Bangladesh. Tijdens de coronapandemie heeft zij enige tijd bij haar schoonfamilie gewoond. Daarna is zij teruggekeerd naar Bangladesh om haar studie voort te zetten. Na afronding van haar studie is zij opnieuw bij haar schoonouders ingetrokken. Momenteel studeert eiseres in Hongarije. Eiseres en referent bezoeken elkaar sindsdien afwisselend.
3.1.
Ter onderbouwing hebben eiseres en referent inschrijfbewijzen opgestuurd van de universiteit waar zij elkaar hebben leren kennen en een e-mail van de universiteit in Turkije waarin de aanvraag van eiseres voor een beurs wordt afgewezen. Daarnaast hebben zij zes getuigenverklaringen opgestuurd die bevestigen dat zij getrouwd zijn en hebben samengewoond bij de ouders van referent. Ook hebben zij screenshots en vertalingen opgestuurd van (video)telefoongesprekken en WhatsApp-berichten van 2021 tot 2025.
4. Om in aanmerking te komen voor nareis, dienen eiseres en referent aan verschillende voorwaarden te voldoen. Eén van deze voorwaarden is dat er sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit komt erop neer dat echtgenoten naast een formele huwelijksakte aannemelijk moeten maken dat zij ook daadwerkelijk invulling geven aan hun huwelijk. De minister kijkt voor de beoordeling hiervan naar factoren zoals samenwoning, het voeren van een gezamenlijke huishouding, het hebben van kinderen, en wederzijdse afhankelijkheid op financieel, emotioneel of praktisch gebied. [1] Het peilmoment voor deze beoordeling is het moment waarop referent Nederland is binnengekomen, 1 november 2021. [2]
Besluitvorming
5. Volgens de minister hebben eiseres en referent niet aannemelijk gemaakt dat op 1 november 2021 sprake was van een feitelijke gezinsband. De minister gelooft wel dat eiseres en referent in 2018 in Jemen zijn getrouwd, maar daarna hebben zij vrijwel het gehele huwelijk op afstand van elkaar geleefd. Volgens de minister is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres en referent op het peilmoment een duurzame relatie met elkaar onderhielden.
6. Hiervoor acht de minister van belang dat het contact in Jemen tijdens de studie oppervlakkig was en vooral op de studie zag. Uit de verklaringen van eiseres en referent blijkt weliswaar dat zij een relatie hadden en later zijn gehuwd, maar niet dat zij toen reeds als echtgenoten samenleefden. Verder is volgens de minister van belang dat referent in zijn asielprocedure, op het aanvraagformulier voor nareis en in reactie op de herstelverzuimbrief van 30 november 2023 steeds heeft verklaard dat hij nooit met eiseres heeft samengewoond. Ook hebben eiseres en referent geen gezamenlijke huishouding gevoerd en is niet gebleken dat zij afhankelijk van elkaar waren. De overgelegde getuigenverklaringen die wel noemen dat sprake is geweest van samenwoning bij de ouders van referent zijn niet objectief verifieerbaar. Daarbij zou één maand samenwoning volgens de minister onvoldoende zijn om wel een feitelijke gezinsband aan te nemen. Voorts werpt de minister tegen dat referent en eiseres gehuwd zijn terwijl zij wisten dat eiseres naar Bangladesh zou vertrekken om te studeren. Uit de eigen verklaringen van referent volgt dat het huwelijk mede was gericht op het vergemakkelijken van een latere gezinshereniging. Verder stelt de minister dat de overgelegde screenshots van telefoongesprekken en videogesprekken bijna allemaal zien op de periode van na de inreis van referent in Nederland. Slechts enkele gesprekken zijn van daarvóór, maar die zien maar op een korte periode. Kort na het huwelijk hebben partijen hun leven gescheiden voortgezet zonder ooit te hebben samengewoond. Dit beperkte contact is volgens de minister onvoldoende om een feitelijke gezinsband aan te nemen. Volgens de minister is nareis bedoeld om een gezinssituatie in het land van herkomst na een gedwongen scheiding te herstellen, terwijl hier sprake is van een gekozen scheiding.
Standpunt eiseres
7. Eiseres voert aan dat er wel sprake was van een feitelijke gezinsband op het peilmoment. Hiertoe voert zij aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat het contact aanvankelijk oppervlakkig was, aangezien het in de Jemenitische cultuur niet gebruikelijk is dat ongetrouwde stellen met elkaar buiten afspreken of gaan samenwonen. Ze hadden wel contact met elkaar via sociale media en telefoon. Ook wisten de ouders van eiseres sinds begin 2017 af van hun relatie. Dat zij vervolgens in 2018 daadwerkelijk zijn getrouwd, geeft wel degelijk blijk van een serieuze duurzame relatie. Voorts stelt eiseres dat zij en referent wel degelijk hebben samengewoond, namelijk bij eisers ouders. Dit wordt bevestigd door de getuigenverklaringen. Bovendien is eiseres na haar verblijf in Bangladesh teruggekeerd naar Jemen waar zij bij de ouders van referent weer ging inwonen en niet in haar ouderlijk huis. Er is dan ook sprake geweest van een gezamenlijke financiële huishouding. Ook heeft eiseres anders dan de minister stelt juist verklaard dat zij ook getrouwd zou zijn als ze niet was geaccepteerd door de universiteit in Bangladesh. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet het voordeel van de twijfel verdient gelet op het samenhang van overgelegde documenten en verklaringen. Eiseres verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 [3] .
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van het peilmoment sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent?
8. De rechtbank overweegt dat het Hof [4] in de arresten van 1 augustus 2022, SW, BL en BC [5] , en XC [6] , de beoordeling van het werkelijk gezinsleven in de zin van artikel 16, eerste lid. aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft uiteengezet. Uit het arrest XC volgt dat er voor het bestaan van een werkelijk gezinsleven moet worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van een gezinsband of van de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden. Zo kan het feit dat de betrokkenen voornemens zijn om elkaar, voor zover mogelijk, af en toe te bezoeken en om regelmatige contacten van welke aard ook te onderhouden – met name gelet op de feitelijke omstandigheden die de situatie van de betrokkenen kenmerken – volstaan om aan te nemen dat zij persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het herstellen zijn en om aannemelijk te maken dat er sprake is van werkelijk gezinsleven. [7]
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom op 1 november 2021 geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent. Dat hun contact vóór het huwelijk voornamelijk zag op hun studie, acht de rechtbank niet opmerkelijk. Eiseres heeft toegelicht dat binnen de Jemenitische cultuur uitgebreider contact vóór een huwelijk niet gebruikelijk is. Ook hebben zij verklaard dat hun families al geruime tijd voor het huwelijk van de relatie op de hoogte waren. De rechtbank ziet daarnaast geen reden om te twijfelen aan de verklaring dat eiseres en referent na hun huwelijk ongeveer een maand hebben samengewoond bij de ouders van referent. Die verklaring wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen. Ook heeft eiseres tijdens het gehoor gedetailleerd verklaard over hoe de woning van haar schoonouders eruit ziet en toegelicht dat zij daar later opnieuw heeft verbleven, zowel tijdens haar studie als na afronding daarvan. Het ontbreken van administratie of fysieke poststukken uit die periode vindt de rechtbank onvoldoende om aan de samenwoning te twijfelen. Daarbij weegt mee dat eiseres ter zitting heeft uitgelegd dat Jemen geen goed administratief systeem heeft en dat de correspondentie over studieaanmeldingen per e-mail werd ontvangen.
8.2.
Verder heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de verklaringen van eiseres en referent over de reden waarom zij na hun huwelijk niet in staat waren om samen te wonen. Uit het dossier blijkt dat eiseres zich vanaf december 2017 heeft aangemeld voor verschillende universiteiten in het buitenland. Nadat zij werd toegelaten tot een opleiding in Bangladesh heeft referent geprobeerd zich daar eveneens aan te melden. Toen dat niet lukte, heeft eiseres vervolgens geprobeerd om zich bij referent te voegen in Turkije. Eiseres heeft een afwijzing van een Turkse studiebeurs overgelegd. Tegen deze achtergrond kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat partijen bewust hebben gekozen om gescheiden van elkaar te leven. Uit de stukken volgt juist dat zij verschillende pogingen hebben gedaan om in dezelfde plaats te kunnen studeren en hun leven samen voort te zetten. Er was dus sprake van concrete voornemens om elkaar, voor zover mogelijk, op te zoeken en om regelmatige contacten te onderhouden – met name gelet op de feitelijke omstandigheden die de situatie van de betrokkenen kenmerken. De rechtbank volgt de minister ook niet in het standpunt dat eiseres zou hebben verklaard uitsluitend te zijn gehuwd om een latere gezinshereniging te vergemakkelijken. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat zij heeft verklaard dat zij ook zou zijn getrouwd als zij niet was toegelaten tot de opleiding in Bangladesh. Dat hebben eiseres en referent ter zitting bevestigd. De rechtbank acht het in dit verband relevant dat eiseres en referent elkaar in 2016 hebben leren kennen en in 2018 zijn getrouwd, maar pas in augustus 2022 een aanvraag om gezinshereniging hebben ingediend. Dat duidt er niet op dat het huwelijk mede was gericht op het vergemakkelijken van een latere gezinshereniging.
8.3.
Het telefonische en appcontact over de jaren heen, de pogingen om samen in hetzelfde land te studeren en de samenwoning bij de ouders van referent vormen gezamenlijk voldoende aanwijzingen dat op 1 november 2021 sprake was van een feitelijke gezinsband. Gelet op het arrest XC heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom uit die omstandigheden niet een wil is gebleken samen een gezinsband te creëren.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Werkinstructie (WI) 2024/4 Instructies behandeling nareis (asiel).
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, r.o. 5.1.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.ECLI:EU:C:2022:617.
6.ECLI:EU:C:2022:618.
7.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631, r.o. 5.5.