Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17335

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37310 en NL25.33552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbAlgemene wet bestuursrechtEuropean Asylum Dactyloscopy Database
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij asielaanvraag na vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 19 februari 2025 een verzoek in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit onderzoek bleek dat eiser ook geregistreerd stond in Zwitserland met andere persoonsgegevens. De minister van Asiel en Migratie nam de Zwitserse gegevens over en verklaarde het bezwaar van eiser tegen deze wijziging niet-ontvankelijk.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om als minderjarige behandeld te worden. Tijdens de procedure meldde de gemachtigde van eiser dat zij geen contact meer met hem had en dat zijn asielaanvraag buiten behandeling was gesteld. De minister stelde voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. Hierdoor kan het doel van het beroep niet worden bereikt. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.37310 (beroep)
NL25.33552 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedag 1] 2008, met de Libanese nationaliteit,

alias
[naam], geboren op [geboortedag 2] 2004, met de Tunesische nationaliteit,
eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 6 augustus 2025. Ook beslist de voorzieningenrechter op eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, verklaard dat zij geen gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb [1] bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 februari 2025 een verzoek ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft hierbij opgegeven dat hij [eiser] heet en dat hij is geboren op [geboortedag 1] 2008.
2.1.
Uit onderzoek in Eurodac [2] bleek dat eiser ook geregistreerd staat in Zwitserland. Verweerder heeft op 24 maart 2025 informatie opgevraagd bij de Zwitserse autoriteiten over eisers registratie daar. Op 25 maart 2025 hebben de Zwitserse autoriteiten laten weten dat eiser bij hen geregistreerd staat als [naam] met de geboortedatum [geboortedag 2] 2004.
2.2.
Op 11 juli 2025 heeft verweerder aan eiser te kennen gegeven dat de gegevens uit Zwitserland worden overgenomen en gehanteerd in plaats van de door eiser bij zijn aanvraag opgegeven gegevens.
2.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving van 11 juli 2025 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij tot vier weken na de beslissing op het bezwaar als minderjarige behandeld moet worden.
2.4.
Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Op 11 augustus 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Op 18 februari 2026 heeft verweerder een document geüpload in het digitale dossier waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
2.7.
Op 10 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat zij geen contact meer met eiser heeft en dat zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld. Zij heeft de rechtbank verzocht de zaak op de stukken af te doen.
2.8.
Op 12 maart 2026 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden en ermee ingestemd om de zaak op de stukken af te laten doen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat sprake is van procesbelang als het doel dat een belanghebbende voor ogen staat, met het door hem aangewende rechtsmiddel kan worden bereikt en dit doel voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. [4]
3.2.
In het asielrecht specifiek geldt in dit kader het volgende. Indien een vreemdeling, die in Nederland om bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet ervan worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. [5]
3.3.
Gelet op de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
4.1.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
4.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.37310:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.33552:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.European Asylum Dactyloscopy Database.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.2.
5.Zie de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.3.