Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17328

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13617 en NL26.13618 en NL26.23929
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en de gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser.

De rechtbank overweegt dat het recht op toegang tot de rechter en effectieve rechtsbescherming belangrijk zijn, maar dat het ontbreken van contact tussen eiser en zijn gemachtigde na de vertrekmelding betekent dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beroepen. De rechtbank beoordeelt ook of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen, maar concludeert dat dit niet het geval is.

Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter Baldinger en griffier Van der Hoek.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming en geen contact meer met gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.13617 (beroep) en NL26.13618 (voorlopige voorziening)
NL26.23929 (beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E.R. Coene),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft eveneens beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2026 om de overdrachtstermijn te verlengen met 18 maanden. De rechtbank beoordeelt dit beroep ook in deze uitspraak.
1.2.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beroepen. Verweerder heeft op 14 april 2026 meegedeeld dat eiser op 27 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Op 8 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3. De rechtbank overweegt dat, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, de bestuursrechter voorzichtig zal moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, mag ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. Voor de beoordeling van het procesbelang is het niet-verschijnen van de vreemdeling en/of zijn gemachtigde ter zitting op zichzelf niet van betekenis. Een vreemdeling heeft belang bij zijn beroep of hoger beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure. [1]
4. Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken en uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat hij geen contact meer met zijn gemachtigde onderhoudt, heeft hij geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroepen.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar [2] . Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM [3] . Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Nu de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummer NL26.13617 en NL26.23929:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.13618:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
2.EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.