Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 15 januari 2026 opgehouden door de politie vanwege een voertuig met een verlopen Duits exportkenteken. De politie vorderde op grond van de Politiewet een identiteitsbewijs, waarna eiser werd opgehouden op basis van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was, onder meer omdat hij niet over een geldig identificerend document beschikte en hij niet in staat was gesteld contact op te nemen met zijn advocaat, verwanten of de ambassade.
De rechtbank oordeelde dat de politie handelde binnen haar algemene politietaak en dat er geen sprake was van verkapt vreemdelingentoezicht of misbruik van bevoegdheid. Ook werd vastgesteld dat eiser wel degelijk contact kon opnemen met zijn advocaat, verwanten en de Marokkaanse ambassade. Echter, de rechtbank stelde vast dat de ophouding onrechtmatig was omdat de grondslag, artikel 50, derde lid, Vw, niet van toepassing was; eiser beschikte niet over een identificerend document zoals bedoeld in het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende eiser een schadevergoeding van €160 toe voor de onrechtmatige ophouding en veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €934. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.