ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8753
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken redelijk vermoeden illegaal verblijf bij staandehouding
Eiser werd op 25 april 2009 in bewaring gesteld na een staandehouding waarbij hem om een legitimatiebewijs werd gevraagd. De rechtbank stelde vast dat niet duidelijk was op grond van welke bevoegdheid deze legitimatiecontrole plaatsvond, terwijl dit vereist is volgens artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De verbalisanten konden niet aantonen dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, een vereiste voor een dergelijke staandehouding.
Tijdens de zitting op 7 mei 2009 werd duidelijk dat verweerder aanvankelijk stelde dat de legitimatiecontrole plaatsvond in het kader van de Wegenverkeerswet 1994, maar dit standpunt later wijzigde zonder overtuigende toelichting. Het aanvullend proces-verbaal gaf geen helderheid over de rechtsgrond voor de legitimatiecontrole. De rechtbank concludeerde dat de staandehouding onrechtmatig was en dat dit ook de daarop volgende bewaring aantastte.
De rechtbank wees het beroep toe, beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring, en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.460 voor de onrechtmatige detentie. Tevens werden proceskosten van €805 toegewezen ter vergoeding van de door eiser gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Velzen op 12 mei 2009.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt onrechtmatig verklaard, onmiddellijke opheffing bevolen, en eiser krijgt een schadevergoeding van €1.460 en proceskosten van €805 toegekend.