ECLI:NL:RBDHA:2026:1730

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3103
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 VwArt. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, een Bulgaarse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 29 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 21 januari 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het onderzoek sloot zonder zitting.

De rechtbank toetste of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Eiser stelde dat de overheid onvoldoende voortvarend had gehandeld, omdat hij op 8 januari 2026 was gepresenteerd bij de Bulgaarse autoriteiten en direct uitgezet had moeten worden. De rechtbank oordeelde echter dat de overheid voldoende voortvarend had gehandeld, gezien de bevestiging van de nationaliteit, de aanvraag van de vlucht op 15 januari en de daadwerkelijke uitzetting op 21 januari 2026.

Daarnaast was sprake van een tijdelijke foutieve status van eiser als 'niet verwijderbaar' vanwege een bezwaarprocedure, die op 13 januari 2026 werd hersteld. De ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3103

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Verweerder heeft op 29 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 21 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1995 en heeft de Bulgaarse nationaliteit.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 december 2025 de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Hij is op 8 januari 2026 gepresenteerd bij de Bulgaarse autoriteiten en is zijn nationaliteit op dezelfde dag bevestigd. Eiser had dan ook direct uitgezet moeten worden. Dat hij door een bezwaarschriftprocedure na 8 januari 2026 niet uitgezet kon worden, dan had de bewaring opgeheven moeten worden, aldus eiser.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser op 8 januari 2026 is gepresenteerd bij de Bulgaarse autoriteiten, waarna zijn nationaliteit is bevestigd. Vervolgens is op 15 januari 2026 een vlucht aangevraagd en is hij op 21 januari 2026 uitgezet naar Bulgarije. In het voortgangsrapport is verder vermeld dat eiser ten onrechte stond aangemerkt als ‘niet verwijderbaar’ vanwege een bezwaarprocedure tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht, maar is dit op 13 januari 2026 hersteld. Hoewel verweerder op sommige onderdelen sneller had kunnen handelen, betekent niet dat hij in dit geval onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. [3]
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24101.
3.ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777.