ECLI:NL:RBDHA:2025:24101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
NL25.58731
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en verwijderingsbesluit Bulgaarse vreemdeling

Eiser, een Bulgaarse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 29 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd wegens het niet naleven van een verwijderingsbesluit van 11 september 2025. Hij stelde dat hij het verwijderingsbesluit niet had ontvangen en daardoor niet op de hoogte was van zijn terugkeerverplichting. De rechtbank oordeelde op basis van het proces-verbaal van ophouding dat eiser wel degelijk op de hoogte was van zijn vertrekplicht.

Verweerder stelde dat er sprake was van een risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken, wat de maatregel van bewaring rechtvaardigde. Eiser betwistte alle gronden en stelde dat hij altijd beschikbaar was geweest en meegewerkt had. De rechtbank vond de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist en voldoende onderbouwd.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, maar de rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom dit niet doeltreffend zou zijn. Ook het verwijt van onvoldoende voortvarendheid werd verworpen, aangezien verweerder tijdig een vertrekgesprek had gevoerd en een laissez-passer had aangevraagd.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58731

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Bulgaarse nationaliteit.
Verwijderingsbesluit
2. Eiser voert aan dat hij het verwijderingsbesluit van 11 september 2025 niet heeft ontvangen, zodat hij niet op de hoogte was van de beëindiging van zijn verblijfsrecht en zijn verplichting tot terugkeer.
3. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 30 november 2025 blijkt dat eiser tijdens het verhoor heeft verklaard dat hij het verwijderingsbesluit van 11 september 2025 op zijn postadres heeft ontvangen en hiervan op de hoogte is. [2] De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op de hoogte was van zijn verplichting terug te keren naar Bulgarije. Dat eiser in zijn verhoor aangeeft dat mensen van de overheid tegen hem zouden hebben gezegd dat het een waarschuwing was, heeft verweerder onvoldoende weerlegging kunnen vinden dat eiser niet zou hebben geweten dat hij een vertrekplicht had.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij niet op de hoogte was van zijn terugkeerverplichting en anders zou hij zich hieraan hebben gehouden. Hij is verder altijd beschikbaar gebleven voor de autoriteiten en was altijd in contact met ze. Daarnaast ontving hij een daklozenuitkering.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3b en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting op hoeft te geven. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware grond 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit rechtsoverweging 3 volgt dat eiser op de hoogte was van zijn verplichting tot terugkeer. Verder heeft hij Nederland niet binnen de gegeven periode van vier weken verlaten, waarna hij nimmer melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
7. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk altijd meegewerkt aan zijn verplichtingen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast is eiser eerder in de gelegenheid gesteld om zijn vertrek te organiseren binnen vier weken, maar heeft dit tot op heden niet geleid tot zijn terugkeer. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Voortvarend handelen
9. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is namelijk EU [7] -onderdaan en zijn gegevens zijn bekend bij verweerder, zodat zijn uitzetting reeds had moeten plaatsvinden.
10. Verweerder merkt terecht op dat hij vanaf de oplegging van de maatregel van bewaring verplicht is om voortvarend te handelen. Verweerder heeft op 2 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is op 3 december 2025 een LP [8] -aanvraag ingediend bij de Bulgaarse autoriteiten. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Dat zijn gegevens dan ook bekend waren bij verweerder leidt niet tot een andere conclusie.
Ambtshalve toets
11. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 30 november 2025, p. 3 en 4 van 7.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Europese Unie.
8.Laissez-passer.