ECLI:NL:RBDHA:2026:1727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens risico op toezichtonttrekking ongegrond verklaard

Eiser, een Litouwse vreemdeling, kreeg op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat de maatregel niet als ultimum remedium was toegepast en dat een lichter middel mogelijk was. Ook stelde hij dat hij detentieongeschikt was vanwege recente suïcidepogingen.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet tijdig verlaten van Nederland, feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. Verweerder had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was om het risico te ondervangen. Ten aanzien van detentieongeschiktheid stelde de rechtbank dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en dat medische instanties hem als detentiegeschikt hadden beoordeeld.

De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J. Schouw op 2 februari 2026 en is aan te vechten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2265

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het door hem ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 16 januari 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 26 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Litouwse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat de zware gronden die aan deze maatregel ten grondslag liggen niet nopen tot de oplegging van de maatregel als ultimum remedium. Eiser heeft op 31 december 2025 een paspoort verworven en zijn vertrektermijn verstreek pas op 8 januari 2026. Aan eiser had bijvoorbeeld de gelegenheid moeten worden geboden om zelf binnen twee weken een vliegticket te verkrijgen, al dan met behulp van Parnassia [4] of Stichting Barka.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om het risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Detentieongeschiktheid
6. Eiser voert aan dat op medische gronden had moeten worden afgezien van de oplegging van de maatregel. Eiser wijst hierbij op recent ondernomen suïcidepogingen. Daarbij blijkt nergens uit dat eiser detentiegeschikt is en zal verweerder dit met nadere stukken of consulten moeten onderbouwen.
7. Het is in beginsel aan eiser om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. [5] Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan sprake is. Ook is eiser zowel door de crisisdienst als door de politiearts aangemerkt als detentiegeschikt. Hiermee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van eisers detentieongeschiktheid. Ten aanzien van de suïcidepogingen van eiser, heeft verweerder in de maatregel opgenomen dat de crisisdienst aangeeft dat deze zien op eisers alcoholprobleem en niet te maken hebben met psychische problematiek. Ook hierin heeft verweerder geen detentieongeschiktheid hoeven aannemen. Verweerder heeft daarbij in de maatregel terecht overwogen dat eiser, indien hij een arts wil spreken ofwel hoognodige medische zorg wenst te ontvangen, zich tot een arts kan wenden. De medische zorg in het detentiecentrum is gelijkwaardig aan de medische zorg in de vrije maatschappij, dus deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Hier staat eiser onder psychologische- en verslavingsbehandeling.
5.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 april 2019 met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2019:1162 en van 12 juli 2023 met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2023:2666.