ECLI:NL:RBDHA:2026:17226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet

Eiser verbleef sinds 24 januari 2026 in bewaring, aanvankelijk op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000 en vanaf 25 maart 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel van bewaring en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van omzetting naar artikel 59.

De rechtbank overwoog dat verweerder niet gehouden was tot voortvarende uitzettingshandelingen tijdens de periode van artikel 59b-bewaring, maar wel vanaf 25 maart 2026. Uit de voortgangsrapportage bleek dat verweerder tijdig een laissez-passer had aangevraagd bij de Indiase autoriteiten en regelmatig navraag deed over de voortgang. Eiser verscheen niet bij een geplande presentatie en werkte onvoldoende mee aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit.

Gezien de inspanningen van verweerder en het gebrek aan medewerking van eiser, concludeerde de rechtbank dat het voortduren van de maatregel rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27243

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 april 2026 (in de zaak NL26.17370) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser sinds 25 maart 2026 op de onderhavige grondslag in bewaring verblijft maar al vanaf 24 januari 2026 in bewaring. Eiser is kwetsbaar, er is geen voortgang in de uitzettingshandelingen en er is ook geen zicht op uitzetting.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank stelt ten eerste vast dat zij op 16 april 2026 (in de zaak NL26.17370) al uitspraak heeft gedaan op de beroepsgrond betreffende het lichter middel. Nu eiser niet heeft aangetoond dat er sinds de laatste uitspraak reden is om deze grond opnieuw te toetsen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak met zaaknummer NL26.17370 voor bespreking ervan.
6. De rechtbank merkt ten tweede op dat eiser van de periode 24 januari 2026 tot de omzetting op 25 maart 2026, in bewaring was gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 26 januari 2018 [1] en 12 september 2019 [2] volgt dat bij een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Daaruit volgt dat verweerder bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten. Pas vanaf de omzetting naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 op 25 maart 2026 is verweerder gehouden om voortvarend te werken aan de uitzetting.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende
voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Uit de voortgangsrapportage van 18 mei 2026 blijkt verder dat verweerder op 12 februari 2026 een laissez-passer (lp) heeft aangevraagd bij de autoriteiten van India. Verweerder heeft daarna maandelijks schriftelijk bij de Indiase autoriteiten geïnformeerd naar de voortgang van de behandeling van het lp-verzoek, laatst op 15 mei 2026. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Daarbij blijkt uit de voortgangsrapportage dat een presentatie stond gepland voor 22 april 2026, maar dat eiser niet is verschenen. Uit het vertrekgesprek van 12 mei 2026 volgt dat eiser niet is verschenen, omdat hij een video wilde zien over hoe een presentatie met de consul zou kunnen gaan.
8. Daarnaast heeft verweerder meermaals vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatst op 12 mei 2026. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen, heeft hij tot nog toe geen enkele aantoonbare actie heeft ondernomen om dit onderzoek te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [3] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, r.o. 6.1.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2019 ECLI:NL:RVS:2019:3139.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.