ECLI:NL:RBDHA:2026:1720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.1344
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven vanwege een Dublin-overdracht naar Finland, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.

Eiser betwistte de gronden voor de bewaring niet, maar stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede vanwege zijn hongerstaking. De rechtbank oordeelde dat geen lichter middel toereikend was, mede gelet op de medische zorg en het gedrag van eiser. Daarnaast voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht en niet voldeed aan de informatieplicht. De rechtbank stelde vast dat verweerder tijdig de vlucht had aangevraagd, de overdracht had voorbereid en voldaan had aan de informatieplicht.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1344

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 15 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven in verband met de uitzetting van eiser (Dublin-overdracht naar Finland).
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het toepassen van een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat conform de uitspraak van rechtbank Den Haag van 17 maart 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5097) de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel, vanwege het ingrijpende karakter, beperkt dient te blijven tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) dienen voortdurend in acht te worden genomen. Uit niets blijkt dat verweerder bij het afzien van het toepassen van een lichter middel mee heeft gewogen dat eiser in hongerstaking is gegaan.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank stelt vast dat pas tijdens de zitting is aangevoerd dat eiser in hongerstaking is gegaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat de in detentie beschikbare zorg voor eiser niet toereikend was, dat eiser niet in staat was de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of dat eisers psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechterden (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162). Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser blijkens door verweerder op de zitting verstrekte informatie contact heeft gehad met een psychiater, in een observatiecel heeft verbleven en in de gaten werd gehouden, en dat niet is gebleken dat dit niet afdoende was. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat de psychiater op 14 januari heeft geconcludeerd dat eiser waarschijnlijk niet zou gaan meewerken aan uitzetting (overdracht naar Finland). Verder heeft verweerder erop gewezen dat eiser eerder verschillende keren met onbekende bestemming is vertrokken en dat plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie er niet voor heeft gezorgd dat eiser medewerking heeft verleend aan een overdracht. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onevenredig belastend is voor eiser en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan, en heeft de maatregel niet tussentijds hoeven opheffen.
Voortvarend handelen en informatieplicht
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. Hiertoe voert eiser aan dat een geplande inbewaringstelling een bijzondere omstandigheid is, bedoeld om bepaalde handelingen ter voorbereiding van de uitzetting of overdracht van een vreemdeling sneller te verrichten of achterwege te laten. Verweerder dient hierbij zo snel als redelijkerwijs mogelijk te handelen. Daarbij merkt eiser op dat volgens de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:352, r.o. 2.2) de zevende dag na inbewaringstelling niet ‘heilig’ is en dat onder omstandigheden een kortere periode geldt waarbinnen een eerste uitzettingshandeling als voldoende voortvarend kan worden aangemerkt. In geval van eiser wist verweerder dat de overdracht van eiser geen probleem zou zijn op het moment dat de maatregel van bewaring werd opgelegd. Finland heeft verweerder een driedaagse termijn gegeven met betrekking tot de informatie rondom de overdracht. Eiser stelt dat het onduidelijk is waarom de overdracht niet sneller heeft plaatsgevonden, temeer daar hij negen dagen in bewaring is gesteld terwijl zeven dagen voldoende zouden zijn. Voorts voert eiser aan dat verweerder in strijd met artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt en niet voldoet aan zijn informatieplicht, door noch de aankondiging van de overdracht noch de aanvraag van de vlucht aan het dossier toe te voegen.
4.1.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat verweerder op dezelfde dag als het opleggen van de maatregel van bewaring, te weten op 8 januari, de vlucht van eiser heeft aangevraagd. Op 9 januari is een vluchtakkoord afgegeven en zijn de vluchtgegevens bekend geworden (15 januari). Daarnaast heeft er op 13 januari een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 14 januari is eiser door verweerder op de hoogte gesteld van de vlucht. Op 15 januari is eiser overgedragen. Dit betekent dat eiser 8 dagen in bewaring heeft gezeten, voordat hij werd overgedragen. De rechtbank acht van belang dat er enige tijd gemoeid is met het regelen van de logistiek voor de overdracht. Daarbij moeten, zoals verweerder heeft toegelicht, de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene worden meegewogen, zoals de medische omstandigheden, de verwachting of de betrokkene mee zal werken, de vraag of er een escort nodig is etc. Er vindt in dat verband afstemming plaats tussen de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Koninklijke Marechaussee en er wordt bekeken welke vlucht het meest geschikt is. De vlucht zelf wordt geboekt door Bureau Boekingen, een onderdeel van de DT&V. Verder vereisen de Finse autoriteiten dat de overdracht drie dagen van tevoren wordt aangekondigd. De rechtbank merkt op dat deze termijn ziet op de door Finland gewenste termijn waarop een aankondiging van de overdracht van een vreemdeling naar Finland dient plaats te vinden en geen norm bevat voor het al dan niet voortvarend handelen van verweerder. Gelet op de verrichte uitzettingshandelingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Voor zover eiser zich beroept op een schending van de informatieplicht op grond van artikel 8:42 van Pro de Awb, slaagt deze beroepsgrond ook niet. Voor wat betreft de aanvraag van de vlucht is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar gehouden is om inlichtingen te geven over de voortgang van de voorbereiding van de overdracht van de vreemdeling, maar dat die informatieplicht niet zover gaat dat verweerder naast de verstrekte informatie over de aanvraagdatum, het vluchtakkoord en de vluchtdatum, ook de onderliggende aanvraag van de vlucht dient over te leggen. Eiser heeft niet aangevoerd dat aan de door verweerder verstrekte informatie moet worden getwijfeld en ook zonder die onderliggende aanvraag kan de voortvarendheid worden beoordeeld. De aankondiging van de overdracht aan Finland van 12 januari 2026 bevindt zich bij de stukken. Zoals in 4.1. overwogen heeft verweerder voortvarend gehandeld ten aanzien van de overdracht van eiser. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser door het niet overleggen van de onderliggende vluchtaanvraag in zijn belangen is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.