ECLI:NL:RBDHA:2026:17199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.34441
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 lid 3 VwArt. 5.6 VbArt. 59c VwArt. 8 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring tijdens asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gericht op het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van de asielaanvraag, mede vanwege een onderduikrisico.

Eiser stelde dat het gehoor onvoldoende was toegespitst op de asielgrondslag en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat het gehoor wel degelijk relevant was voor de maatregel en dat de gronden voor de bewaring, waaronder het onderduikrisico, voldoende feitelijk waren toegelicht en niet betwist.

Verder concludeerde de rechtbank dat geen minder dwingende maatregelen effectief waren en dat de maatregel proportioneel en noodzakelijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg ook geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34441

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Neermawatie Nandoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. [2] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [3] zich voordoen.
2. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [4]
Ophouding en gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Eiser voert aan dat het gehoor zich heeft toegespitst op het onderzoek of eiser alsnog uit eigen beweging zou voldoen aan zijn terugkeerverplichting. Daardoor was het gehoor onvoldoende toegespitst was op de asielgrondslag en is eiser op een onjuiste grondslag opgehouden. Tijdens het gehoor is onvoldoende onderzocht of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser gedurende zijn asielprocedure in vreemdelingenbewaring te houden. In dit kader wijst eiser op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026. [5]
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet te relateren is aan de grondslag van de maatregel van bewaring, namelijk eisers asielaanvraag. Tijdens het gehoor is door verweerder allereerst onderkend dat eiser een asielaanvraag heeft gedaan. De tijdens het gehoor gestelde vragen, ook de vraag over het terugkeerbesluit, zagen toe op de beoordeling of er voldoende gronden zijn om vast te stellen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Nu de vraag naar het onderduikrisico relevant is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, geeft het proces-verbaal daarmee blijk van een relevant onderzoek. De maatregel van bewaring is zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank merkt bovendien op dat de uitspraken van zittingsplaats Roermond, waar eiser naar heeft verwezen, zijn vernietigd door de Afdeling. [6]
5. Verder wordt eiser ook niet gevolgd in zijn stelling dat de ophouding op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Verweerder heeft de ophouding terecht gebaseerd op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, nu eiser pas tijdens het ophoudgehoor zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden b, q, r en s zijn voldoende feitelijk toegelicht en voor zover nodig is ook het bestaan van een onderduikrisico nader toegelicht. [7] Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft nooit eerder asiel aangevraagd en hij heeft geen justitiële documentatie. Eiser heeft rechtmatig verblijf en er is geen noodzaak voor de vreemdelingenbewaring.
9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Dat eiser geen justitiële documentatie heeft, maakt dat niet anders. Bij de beoordeling heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.

Ambtshalve toets

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
3.Vreemdelingenbesluit 2000,
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1429) en 5 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3190).
7.Artikel 5.6, derde lid, van het Vb.