ECLI:NL:RVS:2026:3190
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- V.V. Essenburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 19 januari 2026 in bewaring. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 5 februari 2026 de bewaring ophefte en schadevergoeding toekende. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister onzorgvuldig handelde bij het stellen van vragen voorafgaand aan de inbewaringstelling en bij de wijze van oplegging van de maatregel. De Afdeling bevestigt dat de minister de juiste wettelijke grondslagen heeft toegepast en dat het horen en beslissen door verschillende ambtenaren niet onzorgvuldig is.
Verder beoordeelt de Afdeling de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve en concludeert dat de minister terecht de zware gronden 3b en 3c heeft toegepast. Betrokkene reisde met een laissez-passer in, maar overhandigde geen identiteitsdocumenten, waardoor de minister artikel 50, tweede lid, Vw 2000 mocht toepassen. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond, maar wijst het beroep alsnog ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.