ECLI:NL:RBDHA:2026:17177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 5.3 VbzArt. 6:22 AwbArt. 3 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring Ivoriaanse asielzoeker

De rechtbank Den Haag heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan een Ivoriaanse asielzoeker is opgelegd. De eiser betwistte de rechtmatigheid van de maatregel, onder meer vanwege een vermeend ongeldig terugkeerbesluit en het ontbreken van een actuele refoulementbeoordeling.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 15 februari 2017 rechtsgeldig is en dat uit het asielbesluit ondubbelzinnig blijkt dat Ivoorkust het land van terugkeer is. Tevens is vastgesteld dat de minister een refoulementbeoordeling heeft uitgevoerd en dat er geen nieuwe omstandigheden zijn die een risico op schending van het EU-Handvest opleveren. De maatregel is door een bevoegd ambtenaar opgelegd en hoewel een onjuist kruisje in het proces-verbaal van het gehoor is geplaatst, leidt dit niet tot benadeling van eiser.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring voldoet aan de wettelijke voorwaarden, dat er geen lichter middel voorhanden is, en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Er is zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.868.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33312

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Ivoriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [1] Eiser is het niet eens met die maatregel en heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich daar laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [3] heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 15 februari 2017 niet geldig is en daarom niet aan onderhavige maatregel ten grondslag kon worden gelegd. Zo heeft er geen actuele refoulementbeoordeling plaatsgevonden en is in het terugkeerbesluit ook geen land van terugkeer genoemd.
5.1.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en oordeelt daartoe als volgt. Een terugkeerbesluit is de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. [4] Uit het arrest FMS [5] van het Hof [6] volgt dat in een terugkeerbesluit een land van terugkeer moet worden vermeld. De Afdeling [7] heeft dit bevestigd in haar uitspraak van 2 juni 2021. [8] Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat de uitleg van het Hof ruimte biedt om bij meeromvattende beschikkingen die ook een terugkeerbesluit omvatten, uit de motivering van de beschikking het land van terugkeer af te leiden als dat ondubbelzinnig en onmiskenbaar daaruit blijkt.
5.2.
In het meeromvattend asielbesluit van 15 februari 2017 is de nationaliteit van eiser vermeld (Ivoriaanse). Verder blijkt uit de motivering van het besluit dat het asielrelaas van eiser, onder andere, is gebaseerd op zijn lidmaatschap van de Ivoriaanse politieke partij FPI. [9] Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de motivering van het asielbesluit dan ook ondubbelzinnig en onmiskenbaar dat Ivoorkust het land van terugkeer is. Het besluit van
15 februari 2017 voldoet dan ook aan de vereisten van een terugkeerbesluit en kan onderhavige maatregel daarop worden gebaseerd. [10]
5.3.
Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is van een actuele refoulementbeoordeling. In de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 [11] wordt ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor zowel de minister als de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 7.6. overwogen dat als een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen en de minister besluit om hem op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring te stellen, de minister in de maatregel dan vooral moet motiveren waarom hij meent dat de vreemdeling geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd en dat er daarom geen sprake zal zijn van een uitzetting in strijd met artikel 4 van Pro het EU-Handvest. De rechtbank stelt vast dat door de minister is beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Zo blijkt uit de maatregel van bewaring dat eiser zich tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft beroepen op de eerder door hem gestelde problemen. De rechtbank stelt vast dat deze problemen in een eerdere asielprocedure al zijn beoordeeld en niet geloofwaardig zijn bevonden. Eiser heeft dus geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe omstandigheden aangevoerd en daarmee is niet gebleken dat hij een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 en Pro 19, tweede lid, van het EU-Handvest.
6. Eiser voert verder aan dat niet is gebleken dat het terugkeerbesluit van 15 februari 2017 is genomen en ondertekend door een bevoegd ambtenaar.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 15 februari 2017 in rechte vaststaat en dat daarom in onderhavige procedure niet ter toetsing voorligt of aan dat besluit een gebrek kleeft waardoor het onrechtmatig is.
7. Voor zover eiser ook betoogt dat niet is gebleken dat de maatregel van bewaring is opgelegd door een bevoegd ambtenaar, oordeelt de rechtbank als volgt.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel is ondertekend en dat boven de handtekening staat: “
De minister van Asiel en Migratie, namens deze, de bevoegde ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst/Dienst Terugkeer en Vertrek.” Onder verwijzing naar artikel 5.3, eerste lid, van het Vv [12] ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval aan de bevoegdheid van de desbetreffende ambtenaar te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser voert ten slotte aan dat uit het op 13 juni 2026 gedateerde pv [13] van gehoor blijkt dat hij is gehoord op grond van artikel 59a (Dublin). Het gehoor heeft daarmee onzorgvuldig plaatsgevonden, omdat hij namelijk als asielzoeker gehoord had moeten worden (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw).
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat in het pv van gehoor een onjuist kruisje is geplaatst en dat daardoor ten onrechte staat vermeld dat eiser is gehoord in het kader van artikel 59a. Er is dus sprake van een gebrek. Op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb [14] kan de maatregel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat eiser door het gebrek niet is benadeeld. [15] Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn belangen geschaad door de onjuiste vermelding zoals hiervoor genoemd. Uit het pv van gehoor blijkt namelijk dat eiser is gehoord naar aanleiding van het op 13 juni 2026 gedateerde asielbesluit en dat met hem is gesproken over zijn (vrees voor) terugkeer naar Ivoorkust. Hieruit volgt dat eiser niet is gehoord als Dublinclaimant. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank zal de minister veroordelen in de proceskosten.
Grondslag
9. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Bij het besluit van 13 juni 2026 is de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
10. De gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
11. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. Zo is eiser er door de minister op gewezen dat hij zich in het detentiecentrum kan wenden tot de medische dienst. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
12. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft de minister op 16 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.
Zicht op uitzetting
13. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Ivoorkust in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Ivoorkust niet binnen een redelijke termijn aan eiser een laissez-passer zou kunnen verstrekken.
Ambtshalve toets
14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [16]
14.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [17]

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15.1.
Gelet op rechtsoverweging 8.1. is er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Artikel 3, aanhef en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
5.Arrest van het Hof van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367, punt 115.
6.Europese Hof van Justitie.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Front Populaire Ivoirien.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155).
12.Voorschrift Vreemdelingen 2000.
13.Proces-verbaal.
14.Algemene wet bestuursrecht.
15.Zie de Afdelingsuitspraak van 9 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3714.
16.Zie het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
17.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.