Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.4444
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende onderzoek minderjarigheid en motiveringsgebrek

Eiser, afkomstig uit Somalië, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn identiteit en nationaliteit. De minister baseerde zich op gegevens uit Spanje, waar eiser als meerderjarig was geregistreerd, terwijl eiser stelde minderjarig te zijn bij binnenkomst in Nederland.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de basis van de Spaanse registratie en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de meerderjarigheid aannam. Het onderzoek bij de Spaanse autoriteiten was beperkt en onduidelijk, waardoor het vermoeden van minderjarigheid niet is ontzenuwd.

Daarom is sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €1.868,-.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende onderzoek en motivering en beveelt een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4444

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser is een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is geboren op [geboortedag] in Somalië (dorp Caadley) en dat hij de Somalische nationaliteit bezit. Eiser is Somalië ontvlucht omdat hij door Al-Shabaab is ontvoerd en mishandeld. Hij is bang door Al-Shabaab te worden gerekruteerd en vreest bij terugkeer te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Rekrutering door Al-Shabaab.
4.1.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. De minister concludeert dat de identiteit niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft geen identificerende documenten overgelegd, terwijl hij niet kan uitleggen waarom er in Spanje andere gegevens zijn geregistreerd. Hij heeft bovendien niet eenduidig en concreet verklaard over de registratie in Spanje. Daarnaast wordt eiser niet gevolgd in zijn verklaringen over zijn herkomst. Eiser heeft namelijk weinig juiste details over de omgeving van zijn geboorteplaats gegeven. Verder wordt eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboorteplaats. Dit maakt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij valse gegevens heeft verstrekt. De minister beroept zich hierbij op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het asielmotief over de rekrutering door Al-Shabaab is niet getoetst, omdat de minister het niet geloofwaardig vindt dat eiser de Somalische nationaliteit bezit.
De gronden van beroep
5. Eiser voert aan dat de beschikking in meerdere opzichten onzorgvuldig is en om die reden niet in stand kan blijven. Daartoe voert eiser gronden aan die - kort gezegd - zien op de bruikbaarheid van de gegevens die in Spanje zijn geregistreerd, het herkomstonderzoek en het referentiekader.
5.1.
Over de bruikbaarheid van de in Spanje geregistreerde gegevens voert eiser aan dat niet van de door de Spaanse autoriteiten geregistreerde gegevens, maar van de door hem in Nederland opgegeven gegevens moet worden uitgegaan. Eiser was vijftien jaar, en dus minderjarig, op het moment dat hij Spanje en Nederland inreisde. Eiser heeft in Spanje opgegeven dat hij uit Somalië komt. Hij heeft daar zijn geboortedatum niet opgegeven en is ten onrechte als meerderjarig geregistreerd. Het ligt op de weg van de minister om te onderzoeken waarop deze gegevens zijn gebaseerd. Eiser heeft bovendien een plausibele verklaring gegeven voor de herkomst van de onjuiste gegevens, namelijk van de passagierslijst van de commerciële vlucht waarmee hij Spanje is ingereisd.
5.2.
Over het herkomstonderzoek voert eiser aan dat de verschillende geboorteplaatsen hem niet kunnen worden tegengeworpen. Eiser heeft tijdens de gehoren namelijk steeds gezegd dat hij uit Caadley komt. De plaats Mahaday Weyne heeft hij destijds aangewezen op een kaart waarop Caadley niet stond. Daarnaast wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij weinig juiste details over de omgeving van zijn geboortedorp heeft gegeven, waardoor hij zijn herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.
5.3.
Tot slot heeft eiser naar voren gebracht dat door de minister ten onrechte het referentiekader van een meerderjarige is aangehouden in plaats van dat van een minderjarige.
Mocht de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig achten?
6. De rechtbank overweegt dat het in principe aan de vreemdeling is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. De minister moet een vreemdeling op grond van de samenwerkingsplicht in de bewijslast tegemoetkomen. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen. [2]
6.1.
De minister mag niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan van de juistheid van de leeftijdsregistratie in Spanje. Wel mag de minister deze leeftijdsregistratie bij de beoordeling van de leeftijd betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daar al dan niet een bepaalde waarde aan hecht. Als aan deze registratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. [3]
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser bij zijn asielaanvraag op 21 mei 2023 in Nederland heeft opgegeven dat hij minderjarig is. Vervolgens heeft er een leeftijdsschouw door medewerkers van de AVIM [4] plaatsgevonden. Hieruit volgde dat er twijfel is over de gestelde minderjarigheid. Het is dan aan de minister om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Daarin is hij niet geslaagd. Er is door de minister weliswaar nader onderzoek gedaan bij de Spaanse autoriteiten, maar eiser voert terecht aan dat dit onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. De Spaanse autoriteiten hebben namelijk alleen ‘Yes’ aangevinkt bij de vraag ‘Was the person identified with the available data?’. Hieruit valt niet op te maken waarop de Spaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. Dit betekent ook dat de door de minister genoemde tegenstrijdigheden tussen de in Spanje geregistreerde gegevens en de in Nederland opgegeven gegevens, hem niet kunnen worden tegengeworpen. Het had op de weg van de minister gelegen om navraag bij de Spaanse autoriteiten te doen naar de omstandigheden waaronder de leeftijd van eiser is geregistreerd. Daarbij had de minister ook navraag kunnen doen naar de geboorteplaats Garissa die door de Spaanse autoriteiten is opgenomen als informatie afkomstig uit het Nederlandse verzoek. Dit heeft de minister niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser.
6.3.
Dit betekent dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt en het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De minister betoogt op de zitting dat eiser, zelfs met de door hem opgegeven geboortedatum, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit meerderjarig was. Voor zover de minister daarmee bedoelt te zeggen dat het niet (meer) nodig is om nadere informatie bij Spanje op te vragen, volgt de rechtbank dit niet. Eiser was namelijk op het moment van binnenkomst in Nederland met de door hem opgegeven geboortedatum nog minderjarig. [5]
Overige beroepsgronden
7. Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers identiteit gebreken bevat, zal de rechtbank de overige beroepsgronden die zien op de herkomst van eiser en zijn referentiekader niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. [6] De rechtbank ziet gelet op de geconstateerde gebreken geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
8.1.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Dit betekent dat de minister alsnog onderzoek zal moeten verrichten naar de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de registratie in Spanje tot stand is gekomen. De rechtbank geeft de minister mee dat het in de rede ligt dat het herkomstkomstonderzoek opnieuw wordt uitgevoerd als de minderjarigheid onvoldoende kan worden ontzenuwd. De minderjarigheid heeft namelijk invloed op het hierbij te hanteren referentiekader, ook al is eiser inmiddels meerderjarig.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De gemachtigde van eiser heeft namelijk een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, r.o. 7.1 en 7.2.
3.Zie ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, r.o. 6.9 en 7.3.
4.De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Vgl. HvJ EU 12 april 2017, C-550/16, ECLI:EU:C:2018:248 (
6.De artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.