Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17139

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen

Eiseres, met de Ghanese nationaliteit, stelde dat de minister zijn inspanningsverplichting had geschonden door onvoldoende moeite te doen om haar paspoort te verkrijgen tijdens haar strafrechtelijke detentie. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot schending van haar belangen leidde, omdat zij gedurende haar asielprocedure niet kon worden uitgezet.

Verder betoogde eiseres dat zij op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet had moeten worden opgehouden in plaats van het derde lid, omdat haar identiteit en nationaliteit niet vaststonden. De rechtbank verwierp dit en verwees naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin biometrisch onderzoek tijdens strafdetentie als voldoende werd beschouwd om toepassing van het derde lid te rechtvaardigen.

Eiseres voerde ook aan dat zij ten onrechte werd tegengeworpen geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. De rechtbank stelde dat de minister terecht meerdere zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag had gelegd, waaronder het gebruik van valse documenten en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit.

Ten slotte stelde eiseres dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel dan bewaring kon worden opgelegd. De rechtbank vond de motivering van de minister, waarin het risico op het onttrekken aan toezicht werd benadrukt, voldoende duidelijk.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31236

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. Abdulla. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Ghanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op
[geboortedag] 1981.
2. Eiseres betoogt dat het opleggen van de bewaring onrechtmatig is, omdat de minister zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie heeft geschonden. Volgens het beleid van de minister [1] moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. In dat verband had de minister volgens eiseres meer moeite moeten doen om haar paspoort op te halen op het door haar genoemde adres.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover al sprake is van een inspanningsverplichting die is geschonden is eiseres door haar daaropvolgende asielaanvraag niet in haar belangen geschaad. Gedurende de behandeling van haar asielaanvraag kan eiseres immers niet worden uitgezet en is de duur van de bewaring afhankelijk van de duur van de asielprocedure. De vraag of de minister voldoende uitzettingshandelingen heeft verricht gedurende de strafrechtelijke detentie is dan niet meer relevant.
3. Eiseres betoogt verder dat zij voorafgaand aan de bewaring had moeten worden opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw en niet op grond van het derde lid. De identiteit en nationaliteit van eiseres staan immers niet vast en dat wordt haar in de maatregel ook tegengeworpen.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en wijst in dat verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2022. [2] Uit die uitspraak volgt dat de in het strafrecht verkregen gegevens als uitgangspunt mogen worden genomen indien voor aanvang van de ophouding aan de hand van onder meer biometrische gegevens onderzoek is verricht naar de identiteit. In dat geval mag de minister toepassing geven aan het derde lid van artikel 50 van Pro de Vw, ondanks het ontbreken van een geldig identiteitsdocument. Een dergelijke situatie doet zich in het geval van eiseres voor. Uit het dossier blijkt, gelet op de ‘ID-staat’ van 2 april 2026, dat al gedurende de strafdetentie onderzoek is gedaan aan de hand van biometrische gegevens en dat de door eiseres bij haar asielaanvraag verstrekte gegevens over haar identiteit overeenkomen met de door haar verstrekte gegevens in het identiteitsgehoor van
2 april 2026. De minister heeft eiseres dus kunnen ophouden op grond van het derde lid van artikel 50 van Pro de Vw.
4. Ten aanzien van de gronden van de maatregel betoogt eiseres dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
4.1.
In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiseres en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.3.
Eiseres heeft de overige gronden van de maatregel niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze gronden aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Deze vijf gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiseres heeft aangevoerd tegen de lichte grond 4c hoeft daarom niet te worden besproken. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Ten slotte betoogt eiseres dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Eiseres heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat zij al zeven jaar bij haar vriend [persoon] verblijft op het adres [adres] . Uit de maatregel blijkt niet dat de minister die omstandigheid heeft meegewogen bij de vraag of een lichter middel moest worden opgelegd, aldus eiseres.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. De minister heeft in de maatregel het volgende overwogen over het lichtere middel:
“Betrokkene is al sinds 2018 in Nederland en werkt hier zonder vergunning. Met het verdiende geld ondersteunt ze haar 7 kinderen en moeder in Ghana. Na 8 jaar in Nederland te zijn wil betrokkene asiel aanvragen om een eventuele uitzetting te voorkomen. Daarom is het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling te groot. In dit geval weegt een lichter middel, zoals een periodieke meldplicht, niet op tegen de kans dat de vreemdeling bij het opleggen van een meldplicht, op andere gedachten komt en zich aan het toezicht onttrekt. Gelet op het vorenstaande is de kans daarop groot.”
Uit deze motivering volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waarom eiseres niet bij haar vriend in Amsterdam kon verblijven en waarom geen lichter middel kon worden opgelegd. Dat daarbij de naam van haar vriend en het adres niet zijn genoemd maakt dat niet anders.
6. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000.