Eiseres, met de Ghanese nationaliteit, stelde dat de minister zijn inspanningsverplichting had geschonden door onvoldoende moeite te doen om haar paspoort te verkrijgen tijdens haar strafrechtelijke detentie. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot schending van haar belangen leidde, omdat zij gedurende haar asielprocedure niet kon worden uitgezet.
Verder betoogde eiseres dat zij op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet had moeten worden opgehouden in plaats van het derde lid, omdat haar identiteit en nationaliteit niet vaststonden. De rechtbank verwierp dit en verwees naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin biometrisch onderzoek tijdens strafdetentie als voldoende werd beschouwd om toepassing van het derde lid te rechtvaardigen.
Eiseres voerde ook aan dat zij ten onrechte werd tegengeworpen geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. De rechtbank stelde dat de minister terecht meerdere zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag had gelegd, waaronder het gebruik van valse documenten en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit.
Ten slotte stelde eiseres dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel dan bewaring kon worden opgelegd. De rechtbank vond de motivering van de minister, waarin het risico op het onttrekken aan toezicht werd benadrukt, voldoende duidelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.