Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22942 en NL26.22943
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) Nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechtenVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Spanje op grond van Dublinverordening

Eiser, een Soedanese asielzoeker, verzocht Nederland om een verblijfsvergunning, maar de minister van Asiel en Migratie weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat Nederland terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje, ondanks aangevoerde problemen in het Spaanse asiel- en opvangsysteem. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen die een overdracht in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro uitsluiten.

Eiser vreesde mishandeling door een stam in Spanje, maar had dit pas op de zitting toegelicht zonder onderbouwing. De rechtbank stelde dat deze zorgen in Spanje kunnen worden ingebracht bij de asielprocedure aldaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen overdracht aan Spanje wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.22942 (beroep)
NL26.22943 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2004, van Soedanese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en A. Shehabi als tolk in de Arabisch-Sudanese taal deelgenomen. Verweerder is met bericht niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaken op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.22942:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.22943:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Eiser komt uit Soedan en is via Ceuta, Spanje, de Europese Unie ingereisd. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] , waarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
2. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Spanje. Uit informatie van AIDA [3] en ECRE [4] volgt dat er sprake is van structurele capaciteitsproblemen bij de opvang, tijdelijke dakloosheid van asielzoekers en gebrekkige toegang tot medische zorg. Daarnaast is er in Spanje geen sprake van toegang tot effectieve rechtsmiddelen.
3. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [5] of artikel 4 van Pro het Handvest [6] . Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo [7] .
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Uit de aangehaalde informatie volgt niet dat de situatie in Spanje de hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt waardoor eiser niet overgedragen kan worden. De aangehaalde informatie ziet op 2023 en 2024. Daarna hebben AIDA en ECRE alweer meer recente informatie over Spanje gepubliceerd. Uit de uitspraak van de Afdeling [8] van 25 november 2025 [9] , waarin die nieuwere informatie is betrokken, volgt dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
5. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij vreest om in Spanje te worden mishandeld of gedood door de stam met wie hij in Soedan problemen had. Eiser heeft verklaard dat hij door deze stam is bedreigd in Ceuta.
6. De rechtbank stelt voorop dat eiser de situatie in Soedan naar voren kan brengen bij zijn asielaanvraag in Spanje, waar de aanvraag hetzelfde behandeld zal worden als in Nederland. Daarnaast heeft eiser pas op de zitting over zijn problemen in Spanje verteld. Bij het gehoor, in de zienswijze en in de gronden heeft eiser hier niets over gezegd en hij heeft zijn verklaringen ook niet onderbouwd met documenten. Verder is Ceuta een klein gebied in Spanje, waar eiser bij overdracht niet heen zal gaan. Het is niet gebleken dat de stam voor wie hij vreest hem ook in andere delen van Spanje zal kunnen vinden. Bovendien kan ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. Dit betekent dat eiser bescherming kan vragen bij de Spaanse autoriteiten wanneer hij in Spanje wederom problemen krijgt met die stam.
7. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Hoger beroep kan worden ingesteld binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026 door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Asylum Information Database.
4.European Council on Refugees and Exiles.
5.Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.