Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.36688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek uit Nederland in asielprocedure

Eiser, een Keniaanse nationaliteit, diende op 10 april 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 21 juli 2025 af als ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing.

Op 16 juni 2026 informeerde de minister de rechtbank dat eiser Nederland vrijwillig had verlaten. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en kon daarom niet inhoudelijk reageren. De rechtbank moest beoordelen of eiser nog procesbelang had bij de behandeling van het beroep.

De rechtbank overwoog dat procesbelang vereist is om het beroep te kunnen behandelen en dat dit ontbreekt indien het doel van het beroep niet meer kan worden bereikt. Uit het meldingsformulier bleek dat eiser op 2 juni 2026 had ingestemd met vrijwillig vertrek en dat alle openstaande procedures werden beëindigd. Hierdoor was het procesbelang komen te vervallen.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen prijs meer stelde op internationale bescherming in Nederland en verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vrijwillig vertrek uit Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.36688
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

geboren op [geboortedag] 1994, van Keniaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Ozturk).

Procesverloop

Eiser heeft op 10 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 21 juli 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het dit besluit beroep ingesteld.
Op 16 juni 2026 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat eiser Nederland vrijwillig heeft verlaten.
De gemachtigde van eiser heeft op 18 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en daarom niet inhoudelijk kan reageren op het bericht van de minister.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld om te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] blijkt dat procesbelang het belang is dat een vreemdeling heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de vreemdeling voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. [3]
3. Uit het meldingsformulier ‘Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ dat de minister in het digitale dossier heeft geüpload, blijkt dat eiser op 2 juni 2026 heeft ingestemd met vrijwillig vertrek uit Nederland en dat alle nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd en/of de verblijfsvergunning worden ingetrokken.
4. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. Het beroep is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming, waarbij in de kern dient te worden beoordeeld of eiser terug kan keren naar Kenia. Door eisers vrijwillige vertrek uit Nederland, moet worden verondersteld dat eiser geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland en de inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54, eerste lid, onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraken van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1788, van 23 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1989 en van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2531.