Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17115

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/09/692422 / FA RK 25-7404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang vader met minderjarige wegens huiselijk geweld en verstoorde communicatie

Partijen zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De moeder verzoekt om het gezag uitsluitend aan haar toe te kennen en de omgang van de vader met het kind te ontzeggen vanwege een gewijzigde situatie met onder meer huiselijk geweld en verstoorde communicatie.

De rechtbank neemt kennis van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, het hulpverleningsplan van Youz en eerdere rechterlijke uitspraken, waaronder een contact- en locatieverbod voor de vader. De vader heeft onvoldoende medewerking verleend aan hulpverlening en toont weinig zelfreflectie.

De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind is en kent het gezag toe aan de moeder. Het omgangsrecht van de vader wordt ontzegd omdat contact het herstel en de behandeling van het kind zou belemmeren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de vader kan na een jaar of bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het omgangsrecht van de vader met het kind wordt ontzegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7404
Zaaknummer: C/09/692422
Datum beschikking: 23 juni 2026

Wijziging gezag, ontzegging omgang

Beschikking op het op 30 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E. Koopmans te Dordrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage van 2 april 2025, kenmerk [kenmerk] ;
- het F9-bericht van de moeder van 15 mei 2026, met bijlagen;
- het F9-bericht van de moeder van 18 mei 2026, met bijlage.
Op 26 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan dor haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, A. Yasin;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift, met wijziging in zoverre van de beschikkingen van deze rechtbank van 28 november 2022 en 21 november 2024, strekt tot:
  • beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om te bepalen dat het gezag voortaan uitsluitend aan haar toekomt;
  • ontzegging althans schorsing van de tussen de man en [de minderjarige 1] geldende zorgregeling;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na dagtekening van voormelde beschikkingen zijn gewijzigd.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt daarnaast te bepalen dat de in de beschikking van deze rechtbank van 21 november 2024 opgenomen zorgregeling moet worden nagekomen, eventueel voorafgaand door een opbouwregeling en indien nodig onder begeleiding.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2016 tot [datum 2] 2023.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uit.
- [de minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 28 november 2022 is – voor zover van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het door partijen overeengekomen ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 21 november 2024 is – voor zover hier aan de orde –:
  • een zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige 1] bij de vader is: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige 1] ophaalt en ook weer terugbrengt;
  • een verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld;
  • bepaald dat er videocontact is tussen de vader en [de minderjarige 1] op maandag en donderdag van 18.30 tot 19.00 uur;
- De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Jordaanse nationaliteit.
- Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam is:
­ aan de vader voor de duur van negen maanden een locatie- en contactverbod opgelegd jegens de moeder;
­ de man veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat hij zich niet aan het contact- en locatieverbod houdt, met een maximum van € 10.000,-;
­ is de zorgregeling, zoals vastgesteld door deze rechtbank van 21 november 2024, geschorst;
­ is aan de Raad verzocht om een onderzoek te doen naar het gezag en de zorg-/omgangsregeling.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.
Voorgeschiedenis
Voordat inhoudelijk wordt ingegaan op de verzoeken, ziet de rechtbank aanleiding om enige aandacht te besteden aan de voorgeschiedenis van partijen. Uit de stukken, het raadsrapport en dat wat op de zitting is besproken, is het volgende gebleken.
In 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Zij hebben destijds afspraken over [de minderjarige 1] gemaakt en deze vastgelegd in een ouderschapsplan. De rechtbank heeft vervolgens in 2024 op verzoek van de moeder de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de doordeweekse overnachting is komen te vervallen. [de minderjarige 1] verbleef sindsdien één weekend per veertien dagen bij de vader. Naar zeggen van de moeder heeft de vader zich niet met deze uitspraak kunnen verenigen. Volgens haar was al tijdens het huwelijk sprake van geweld en dwingende controle, maar sinds de uitspraak valt de vader haar veelvuldig lastig. De moeder heeft dit onderbouwd door overlegging van Whatsappgesprekken van partijen, de belgeschiedenis, foto’s en een overzicht van de meldingen die zij bij de politie heeft gedaan. De vader betwist de beschuldigingen van de moeder en stelt dat hij weliswaar meermaals heeft geprobeerd om contact te zoeken, maar dat dit enkel was bedoeld om contact met [de minderjarige 1] te kunnen krijgen en de situatie uit te praten met de moeder.
De vader is na de echtscheiding van partijen hertrouwd. Hij woonde met zijn nieuwe echtgenote in [plaats] . Zij hebben in mei 2025 een zoon gekregen, [de minderjarige 2] . Op 23 maart 2025 heeft bij de vader thuis tussen hem en zijn partner een (gewelds)escalatie plaatsgevonden, waarbij [de minderjarige 1] aanwezig was. De partner van de vader heeft hierover contact opgenomen met de moeder. Naar aanleiding van dit incident is Veilig Thuis betrokken geraakt. Ook de school en Youz hebben vervolgens bij Veilig Thuis meldingen gedaan over de houding van de vader en hun zorgen over [de minderjarige 1] .
De moeder is vervolgens een kort geding gestart bij de Rechtbank Rotterdam. In het vonnis van 5 augustus 2025 is (onder andere) de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige 1] opgeschort en is aan de vader een contact- en locatieverbod opgelegd. De voorzieningenrechter heeft daarbij aanleiding gezien om de Raad te verzoeken een onderzoek te doen.
Dit heeft geresulteerd in het raadsrapport van 2 april 2026. De Raad komt tot de conclusie dat de beslissing over zowel het gezag als de zorg-/omgangsregeling moeten worden aangehouden voor de duur van een jaar, in afwachting van hulpverlening aan de ouders (apart en gezamenlijk) en [de minderjarige 1] . De Raad ziet dat de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord en dat de vader veelvuldig en op negatieve wijze contact heeft gezocht met de moeder. Hiervoor is nog geen hulpverlening ingezet, zodat de Raad een traject ouderschapsbemiddeling of parallel solo ouderschap adviseert. Voor wat betreft het contact tussen [de minderjarige 1] en zijn vader adviseert de Raad om dit te herstellen door middel van begeleide omgang. Sinds het opschorten van de zorgregeling zijn de signalen van spanning en angst afgenomen, maar er is bij [de minderjarige 1] wel boosheid over de vader en diverse aspecten van de omgang met zijn vader hebben bij hem angst opgewekt. Zo moet hij controleren of de deur op slot is en bepaalde routes lopen. De begeleide omgang moet daarom goed afgestemd worden op de behoefte van [de minderjarige 1] . De vader kan in de periode waarin partijen op de wachtlijst staan behandeling voor zichzelf aanvangen. Over een jaar kan dan worden bekeken welke stappen zijn gezet en kan een beoordeling worden gemaakt van het verloop van de begeleide omgang.
Verder is Youz betrokken voor hulpverlening aan [de minderjarige 1] . In het hulpverleningsplan van Youz van 24 april 2026 is onder meer het navolgende opgenomen:

[de minderjarige 1] is uitgebreid onderzocht in 2023. Hier werd een grote innerlijke onrust gezien, die samen leek te hangen met te weinig basisvertrouwen en gevoelens van onveiligheid. Dit zou te maken kunnen hebben met dat hij mogelijk getuige is geweest van ruzies en dreiging van huiselijk geweld.
(…)
[de minderjarige 1] wekt de indruk onrust en alertheid te ervaren als gevolg van zowel de gebeurtenissen rondom de spanningen tussen zijn ouders op jonge leeftijd en de recente incidenten met vader. De onrust van [de minderjarige 1] lijkt hiernaast ook een gevolg te zijn van spanningen en angsten. [de minderjarige 1] wekt een angstige indruk, voorzichtig kan hij verwoorden wat hij voelt en waar hij bezorgd is. [de minderjarige 1] denkt veel na en let op zijn signalen in zijn omgeving. [de minderjarige 1] is hyperalert en bezorgd over onverwachts tegenkomen van zijn vader.”
Eerder heeft [de minderjarige 1] al het traject ‘Stoere Schilpadden/Dappere Dino’s’ gevolgd en is voor hem een Word & Pictures verhaal gemaakt voor de scheiding. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de vader niet heeft meegewerkt aan het vertellen van dit scheidingsverhaal aan [de minderjarige 1] . Voor de komende periode wordt door Youz in het hulpverleningsplan een trauma- en EMDR-behandeling geadviseerd. Daarbij geven zij aan dat dit enkel kan plaatsvinden als er rust en stabiliteit blijft en er geen grote verandering in zijn leven komen tijdens de therapie.
Aan de rechtbank liggen de verzoeken voor tot wijziging van het gezag en ontzegging dan wel nakoming van de zorgregeling. Zij zal deze verzoeken in het licht van het voorgaande beoordelen.
Gezag
De rechtbank kan een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval is voldaan aan voornoemde gronden. Daartoe overweegt zij als volgt.
Gebleken is dat tussen partijen sprake is van een belaste voorgeschiedenis, waarbij de vader zich zeer hinderlijk heeft gedragen jegens de moeder. Daarnaast is naar oordeel van de rechtbank ook vast komen te staan dat in ieder geval tussen de vader en zijn andere partner huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [de minderjarige 1] . Door de Raad is in zijn rapport beschreven dat de vader dwingend kan zijn in zijn waarheid en beleving. Dit beeld is bevestigd op de zitting. De vader lijkt daarbij vrijwel geen inzicht te hebben in de gevolgen van zijn handelen en lijkt de oorzaak buiten zichzelf te leggen.
Daar komt bij dat er zorgen bestaan over [de minderjarige 1] . Hij is gediagnosticeerd met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en er zijn zorgelijke signalen van [de minderjarige 1] naar aanleiding van de gebeurtenissen bij de vader thuis. In de afgelopen jaren heeft de vader de hulpverlening die [de minderjarige 1] nodig heeft, gefrustreerd. Dit betreft onder andere de eerste aanmelding bij Youz in 2020 en het vertellen van het Word & Pictures-verhaal aan [de minderjarige 1] .
De Raad heeft geadviseerd om eerst een hulpverleningstraject te doorlopen, voordat een definitieve beslissing over het gezag wordt genomen. De rechtbank zal de Raad hierin niet volgen en nu een definitieve beslissing nemen. Uit het raadsrapport volgt dat al in een vroeg stadium door Kwadraad en Veilig Thuis aan de vader de opdracht is gegeven om hulpverlening te zoeken bij De Waag of Ipse de Bruggen in het kader van agressie- en emotieregulatie. De vader heeft dit advies niet opgevolgd: vlak voor de zitting is door hem een (algemene) brief van Parnassia ingediend, waaruit blijkt dat de vader eind maart 2026 een doorverwijzing van de huisarts heeft gekregen. Niet blijkt uit deze brief naar welke vorm van hulpverlening hij is verwezen, en ook niet hoe lang een eventueel traject zou gaan duren. De rechtbank heeft de indruk dat de vader op de valreep (deze procedure loopt al sinds september 2025) nog heeft willen laten zien dat hij van goede wil is. Maar dit is niet voldoende om de indruk van de rechtbank weg te nemen dat bij de vader geen intrinsieke motivatie bestaat om zijn gedrag aan te passen. De focus van de vader ligt op [de minderjarige 1] , zonder zelfreflectie toe te passen. Dat bij hem nog geen zelfreflectie is waargenomen, wordt ook met zoveel woorden gesteld in het raadsrapport. Gelet daarop, en op de geruime tijd dat de problemen al spelen, heeft de rechtbank, anders dan de Raad, niet het vertrouwen dat een aanhouding van de zaak, in afwachting van hulpverlening en ouderschapsbemiddeling, zinvol zal zijn. Zij vindt dit evenmin in het belang van [de minderjarige 1] , omdat voor hem noodzakelijke beslissingen voor onder andere hulpverlening genomen moeten kunnen worden zonder dat deze kunnen worden tegengehouden door de vader.
Tot slot is door de situatie de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord geraakt. Zij zijn niet in staat in gezamenlijk overleg tot een behoorlijke gezagsuitoefening te komen en beslissingen te nemen die van belang zijn voor [de minderjarige 1] . Van de moeder kan dit ook niet langer worden verwacht, zowel gelet op de gebeurtenissen, maar ook omdat uit het voorgaande blijkt dat de vader niet het belang van [de minderjarige 1] , maar zijn eigen belang vooropstelt.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen en haar voortaan alleen belasten met het gezag over [de minderjarige 1] .
Ontzegging omgang
Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind
.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of ruimte bestaat voor contact tussen de vader en [de minderjarige 1] , het belang van [de minderjarige 1] leidend is. In het algemeen geldt daarbij dat kinderen gebaat zijn bij contact met hun beide ouders. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van dit uitgangspunt af te wijken.
Naar oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een dergelijke uitzonderings-situatie. Sinds de opschorting van de zorgregeling door de voorzieningenrechter in augustus 2025 hebben [de minderjarige 1] en zijn vader geen contact. De rust die dit aan [de minderjarige 1] heeft gegeven, doet hem zichtbaar goed. Het is niet in zijn belang om het contact nu (onder begeleiding) opnieuw op te starten. Uit de stukken volgt dat [de minderjarige 1] spanning ervaart als het over dit onderwerp gaat en hij geeft duidelijk aan dat hij nu ook geen contact wil. Daar komt bij dat ook door Youz in het hulpverleningsplan van april 2026 is aangegeven dat [de minderjarige 1] traumabehandeling en EMDR zal moeten volgen. Dit kan alleen plaatsvinden als er rust en stabiliteit in zijn leven is. Om deze behandeling succesvol te laten zijn, is het naar oordeel van de rechtbank niet passend om de nu aanwezige rust te doorbreken door het contact met de vader weer op te starten.
Daar komt bij dat de Raad als voorwaarde voor contact heeft gesteld dat de vader individuele hulpverlening zal gaan volgen. In het voorgaande is al beschreven dat de vader hier tot nu toe niet mee is gestart en dat het hem ontbreekt aan inzicht in zijn aandeel in de situatie. Dit staat haaks op het belang van [de minderjarige 1] . Pas op het moment dat de vader aantoonbaar en succesvol behandeling aan het volgen is, en daarbij leerbaar is gebleken, bestaat eventueel een mogelijkheid het contact weer op te starten, indien ook het belang van [de minderjarige 1] dat toelaat. Tot die tijd zal de rechtbank de vader het recht op omgang ontzeggen.
De rechtbank verbindt geen termijnen aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk volgens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigingen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).
Kindbrief
De kinderrechter zal [de minderjarige 1] een brief te sturen om de beslissing van de rechtbank uit te leggen. Deze brief luidt als volgt:
“Beste [de minderjarige 1] ,
Een tijdje geleden hebben we gepraat over hoe het met jou en je vader en moeder gaat. Je moeder wil dat jij geen omgang met je vader hebt, en dat zij alles mag beslissen over jou. Maar je vader wil meebeslissen en wil jou juist vaker zien. Je vader en moeder zijn het dus niet met elkaar eens.
Ik heb je vader en moeder gesproken. Je moeder maakt zich heel veel zorgen over jou als naar je vader gaat. Je vader zegt dat je moeder zich geen zorgen hoeft te maken. De Raad voor de Kinderbescherming zegt dat jij en je vader wel weer contact kunnen hebben, maar dan met iemand erbij. Iemand die oplet of alles goed gaat. Maar alleen als jouw vader hulp zoekt voor zichzelf.
Jij hebt mij verteld dat het nu rustig is met je moeder en dat je nu geen contact met je vader wil.
Ik heb er over nagedacht. Je ouders willen vaak niet hetzelfde voor jouw opvoeding. Ook geeft de omgang met je vader veel spanning en angst bij jou en je moeder. Dat is allemaal niet goed voor jou. Ook wil ik eerst zeker weten of jouw vader hulp zoekt en zijn gedrag verandert. Daarom heb ik besloten dat je moeder voortaan alles alleen mag beslissen, en dat jij niet meer met je vader omgaat, in ieder geval voor een jaar.
Ik hoop dat mijn beslissing je rust geeft.
Ik wens je het beste.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter”
Deze brief wordt op de dag van de uitspraak aan [de minderjarige 1] per post verstuurd.

BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 21 november 2024 –:

*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1982 te [geboorteplaats 2] , [land] , het gezag zal toekomen over de minderjarige: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
*
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [de minderjarige 1] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.