Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL24.39165
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 8:41a AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit ingangsdatum verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste vaststelling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 september 2024 waarbij de minister zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het geschil betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de vergunning en de geboortedatum van eiser.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de ingangsdatum van de vergunning heeft vastgesteld op 22 september 2023, terwijl eiser zich al op 20 september 2023 persoonlijk heeft gemeld en zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak moet de ingangsdatum worden bepaald op het moment van de persoonlijke kenbaarmaking van het asielverzoek.

Ten aanzien van de geboortedatum concludeert de rechtbank dat de minister terecht is uitgegaan van de door de Italiaanse autoriteiten geregistreerde geboortedatum en de meerderjarigheid van eiser. De door eiser overgelegde doopakte is onvoldoende om deze conclusie te weerleggen, mede omdat het Bureau Documenten geen uitspraak kon doen over de echtheid en juistheid van dit document.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelt deze vast op 20 september 2023. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en stelt deze vast op 20 september 2023.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39165

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 11 september 2024 (het bestreden besluit), waarbij de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de geboortedatum van eiser en de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat de minister de ingangsdatum niet juist heeft vastgesteld. Eisers beroepsgrond dat de minister is uitgegaan van een onjuiste geboortedatum, slaagt niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 september 2024 deze aanvraag ingewilligd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Ingangsdatum
3. Eiser voert aan dat de minister de verkeerde ingangsdatum heeft aangehouden. Eisers aanvraag is weliswaar geregistreerd op 22 september 2023 door middel van het M35-H formulier, maar eiser heeft zich al op 20 september 2023 gemeld voor zijn asielaanvraag. Eiser wijst ter onderbouwing op de loopbrief van 20 september 2023. De minister had daarom 20 september 2023 moeten aanhouden als ingangsdatum van eisers vergunning.
4. Deze beroepsgrond slaagt.
4.1.
Uit artikel 44, tweede lid, van de Vw 20003 volgt dat asielvergunningen worden verleend met ingang van de datum waarop een aanvraag daartoe is ontvangen. De Afdeling [1] heeft in haar uitspraak 20 januari 2025 [2] geoordeeld dat een vreemdeling een asielverzoek vormvrij kan doen. Er is sprake van een asielverzoek zodra de vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt. Dat een vreemdeling een aanvraag nog niet heeft ingediend aan de hand van een voorgeschreven aanvraagformulier, brengt dus niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. Dit heeft tot gevolg dat de ingangsdatum van een te verlenen asielvergunning wordt bepaald door het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt.
4.2.
Uit het verslag van het aanmeldgehoor [3] blijkt dat hij op 20 september 2023 in persoon zijn asielwens ten overstaan van een registratiemedewerker van de IND [4] kenbaar heeft gemaakt. De minister had daarom 20 september 2023 moeten aanhouden als ingangsdatum voor eisers verblijfsvergunning asiel. Het bestreden besluit is in zoverre onjuist.
Geboortedatum
5. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte meerderjarig heeft verklaard en dat de minister gezien al hetgeen hij heeft verklaard en namens hem is aangevoerd uit behoort te gaan van de door hem opgegeven leeftijd.
Onderzoek naar de geboortedatum
6. De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
6.1.
Op 22 september 2023 is er een leeftijdsschouw door de AVIM [5] verricht en geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Verder heeft er op 22 april 2024 een leeftijdsschouw plaatsgevonden door medewerkers van de IND en is eveneens geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is.
6.2.
De minister heeft verder nader onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten, omdat eiser in Italië heeft verbleven. Uit de informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat eiser daar staat geregistreerd met geboortedatum [datum].
6.3.
Eiser heeft vervolgens aan de minister een doopakte overgelegd. Dit document is op 21 november 2025 door Bureau Documenten onderzocht. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoudelijke juistheid van het document. Ook plaatst het Bureau Documenten kanttekeningen over onduidelijkheden in de jaartelling in de doopakte.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat kan worden uitgegaan van de door de Italiaanse autoriteiten geregistreerde geboortedatum van [datum]. Zowel bij de leeftijdsschouw door de AVIM op 22 september 2023 als bij de leeftijdsschouw door medewerkers van de IND op 22 april 2024 is geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Eisers beroepsgrond dat deze leeftijdsschouwen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, slaagt niet. Uit de verslaglegging van de schouwen blijkt namelijk dat deze niet alleen is tot stand zijn gekomen op basis van uiterlijke kenmerken. Verder staat vast dat uit de beide schouwen is gebleken dat eiser evident meerderjarig, zodat eisers verwijzing naar Afdelingsjurisprudentie waarin hiervan geen sprake was, geen doelt treft. De minister heeft op deugdelijke wijze nader onderzoek verricht bij de Italiaanse autoriteiten. Nu ook uit de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat eiser daar staat geregistreerd met geboortedatum [datum] en hieruit volgt dat eiser meerderjarig is, heeft de minister van deze geboortedatum en van de meerderjarigheid van eiser mogen uitgaan.
7.1.
Het ligt vervolgens op de weg van eiser om concrete aanknopingspunten aan te dragen die twijfel doen ontstaan over die conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De door hem overgelegde doopakte heeft de minister in de besluitvorming betrokken en niet ten onrechte onvoldoende geacht om de bevindingen uit het leeftijdsonderzoek te weerleggen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat Bureau Documenten geen uitspraak heeft kunnen doen over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoudelijke juistheid van het document. Daarnaast heeft Bureau Documenten gewezen op onduidelijkheden in de gehanteerde jaartelling. Verder heeft de minister terecht opgemerkt dat een doopakte niet kan worden aangemerkt als een identificerend brondocument [6] op grond waarvan de identiteit of geboortedatum van eiser met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de door eiser overgelegde doopakte. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4 is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover daarin de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning is vastgesteld op 22 september 2023. Met inachtneming van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 20 september 2023 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit [7] .
9. Omdat het beroep gegrond is heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel is vastgesteld op 22 september 2023;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 20 september 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover deze is vernietigd;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van
€ 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.Pagina 12 Aanmeldgehoor
4.Immigratie- en naturalisatiedienst
5.de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel
7.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, maakt dit mogelijk