Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 september 2024 waarbij de minister zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het geschil betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de vergunning en de geboortedatum van eiser.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de ingangsdatum van de vergunning heeft vastgesteld op 22 september 2023, terwijl eiser zich al op 20 september 2023 persoonlijk heeft gemeld en zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak moet de ingangsdatum worden bepaald op het moment van de persoonlijke kenbaarmaking van het asielverzoek.
Ten aanzien van de geboortedatum concludeert de rechtbank dat de minister terecht is uitgegaan van de door de Italiaanse autoriteiten geregistreerde geboortedatum en de meerderjarigheid van eiser. De door eiser overgelegde doopakte is onvoldoende om deze conclusie te weerleggen, mede omdat het Bureau Documenten geen uitspraak kon doen over de echtheid en juistheid van dit document.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelt deze vast op 20 september 2023. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser.