ECLI:NL:RBDHA:2026:17062

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor de aanvraag.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Uit een brief van de minister blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met de gemachtigde. De gemachtigde bevestigde dat hij geen contact meer heeft met eiser en liet de beoordeling van het procesbelang aan de rechtbank over.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, tenzij hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Gezien het ontbreken van contact concludeert de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het besluit niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier N. Wetterauw op 24 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12791

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
3.1.
De minister heeft op 24 maart 2026 een brief in het dossier geüpload waarin wordt verwezen naar een bijlage met een melding van het COa [3] waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Daarnaast heeft de minister medegedeeld dat niet is gebleken dat eiser in detentie verblijft of zich inmiddels opnieuw heeft gemeld bij de IND [4] , het COa, de AVIM [5] of de DT&V [6] .
3.2.
Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 24 maart 2026 verzocht aan te geven of nog contact met eiser wordt onderhouden, of bekend is waar eiser verblijft en of nog procesbelang bestaat. Op 17 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat hij geen contact meer heeft met eiser en daarom niet kan bevestigen dat sprake is van een opdracht tot intrekking van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. De gemachtigde heeft daarom aangegeven de procedures niet in te trekken en de beoordeling van het procesbelang aan de rechtbank over te laten.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [7]
4.1.
Gelet op dat wat hiervoor, onder 3.1 en 3.2, is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op Grond van art. 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.12792.
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
4.Immigratie- en naturalisatiedienst.
5.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
6.Dienst Terugkeer en Vertrek.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).