Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank in een uitspraak van 28 mei 2025 een termijn van zestien weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn bevatte. De minister heeft niet binnen deze termijn alsnog een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van zes weken op, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en de overschrijding van de wettelijke beslistermijn van 21 maanden. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd met een maximum van €37.500 voor het geval de minister ook deze termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 8 januari 2026.