ECLI:NL:RBDHA:2026:16927

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.4799
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8 EVRMArt. 9 VwArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens onvoldoende motivering en onjuiste belangenafweging

Eiseres, een Colombiaanse moeder van een tweeling met de Nederlandse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar afgeleide verblijfsrecht in Nederland. De tweeling is geboren met een schisis en ondergaat sinds hun geboorte specialistische medische behandelingen in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat de tweeling meerderjarig was en er volgens hem geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestond als bedoeld in het arrest K.A., noch was er aanleiding voor verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen uitzonderlijke situatie is en dat de medische en persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar kinderen onvoldoende in samenhang zijn beoordeeld. De zorgintensiteit en afhankelijkheid van de tweeling van eiseres zijn zodanig dat zij niet van elkaar gescheiden kunnen worden zonder ernstige gevolgen.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro onjuist is gemaakt. De minister heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het gezinsleven en de medische noodzaak, en heeft het economische belang van de Nederlandse Staat ten onrechte zwaarder laten wegen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, herroept het primaire besluit en draagt de minister op het gevraagde document binnen zes weken af te geven.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en beveelt afgifte van het gevraagde verblijfsdocument binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4799

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. F. van Bussel)
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de minister een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.1
Eiseres heeft op 18 juli 2024 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid Vw, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Met het bestreden besluit van 20 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiseres heeft op 28 januari 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
De minister heeft op 31 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep tegelijkertijd met het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Gutierres. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast zijn ook de twee zonen van eiseres, [zoon 1] en [zoon 2] (hierna te noemen: de tweeling) op zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3.1
Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1975 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Zij heeft voorafgaand aan haar verblijf in Nederland, ruim 20 jaar op Aruba gewoond. Eiseres is drie jaar getrouwd geweest met een Nederlandse man, de vader van haar kinderen, die ook op Aruba woonde. De tweeling is op [geboortedatum 2] 2007 geboren op Aruba en heeft de Nederlandse nationaliteit. De tweeling is geboren met een schisis (lip- en gehemeltespleet). Vanwege deze aandoening heeft de tweeling vanaf hun geboorte direct specialistische zorg nodig gehad. Om de noodzakelijke operaties te kunnen ondergaan, is eiseres met de tweeling uitgeweken naar Colombia. De tweeling is daar drie keer geopereerd, waarvan twee operaties door de verzekering zijn gedekt en de derde door Crowdfunding is gefinancierd. In 2013 is de vader van de kinderen overleden en is eiseres er alleen voor komen te staan. Om de tweeling van de noodzakelijke specialistische zorg te kunnen voorzien, is eiseres in 2019 met de tweeling naar Nederland verhuisd.
3.2
Op 16 januari 2020 heeft eiseres in Nederland als derdelander-ouder op grond van het arrest Chavez-Vilchez [2] een afgeleid verblijfsrecht gekregen en is een verblijfsdocument afgegeven met een geldigheidsduur van vijf jaar. Eiseres heeft op 18 juli 2024 vernieuwing van haar afgeleide verblijfsrecht aangevraagd. In de afgelopen jaren heeft de tweeling meerdere (intensieve) medische behandelingen in Nederland ondergaan door een gespecialiseerd schisisteam in een academisch ziekenhuis en de behandelingen zullen de komende jaren nog voortduren. Eiseres acht het daarom van belang dat haar verblijfsrecht wordt vernieuwd, zodat zij voor de tweeling kan blijven zorgen en hen kan ondersteunen in hun dagelijkse bestaan.
Het bestreden besluit
4.1
De minister heeft de aanvraag van eiseres - kort samengevat - afgewezen, omdat de tweeling op het moment van toetsing meerderjarig was waardoor niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Ook bestaat volgens de minister tussen eiseres en de tweeling geen zodanige afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. [3] Evenmin bestaat er volgens de minister aanleiding om eiseres op grond van artikel 8 EVRM Pro [4] verblijf toe te staan.
4.2
Eiseres heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op wat in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Arrest Chavez-Vilchez
5.1
Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van Pro het VWEU [5] zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot worden ontzegd van de belangrijkste rechten die aan de status van EU-burger zijn verbonden. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft, als gevolg waarvan het betrokken kind gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
5.2
De rechtbank stelt vast dat het Chavez-Vilchez arrest niet meer van toepassing is op de onderhavige zaak. Het afgeleide verblijfsrecht van eiseres zag namelijk toe op de afhankelijkheidsverhouding met de destijds minderjarige tweeling. De tweeling is één jaar voor het bestreden besluit meerderjarig geworden. Derhalve komt eiseres niet in aanmerking voor een vernieuwd verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
Arrest K.A.
6.1
De minister stelt dat er geen aanleiding bestaat om eiseres op grond van het arrest K.A. voortgezet verblijfsrecht toe te kennen. Er is namelijk niet gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest K.A. Eiseres heeft aan de hand van de overgelegde medische stukken aangetoond dat er sprake is van een lopende medische behandeling, maar dit vormt volgens de minister geen acute medische noodzaak waaruit de zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en de tweeling blijkt. Eiseres heeft specifiek aandacht gevestigd op het belang van de ondersteuning en verzorging in de herstelperiode na de kaakoperatie van de tweeling, daaruit volgt echter niet dat eiseres de enige is die deze ondersteuning kan bieden. Daarbij merkt de minister ook op dat deze ondersteuning van tijdelijke aard is. En aangezien de operatie al gepland staat, is het op dit moment ook al mogelijk om voorbereidende maatregelen te treffen wat betreft ondersteuning. Met betrekking tot de financiële afhankelijkheid overweegt de minister dat er van meerderjarige kinderen een toenemende mate van zelfstandig functioneren mag worden verwacht. Dat de tweeling studeert en slechts beschikt over een beperkt inkomen, is op zichzelf niet ongebruikelijk en leidt niet zonder meer tot een zodanige afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest K.A. De tweeling kan namelijk zelfstandig aanspraak maken op sociale voorzieningen totdat hun opleiding is afgerond. Ondertussen beschikt de tweeling over een bijbaan en, indien nodig, kan eiseres mogelijk op afstand de tweeling financieel ondersteunen.
6.2
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen aanspraak maakt op een voortgezet verblijfsrecht op grond van het arrest K.A. Eiseres meent dat de minister de medische verklaringen ten onrechte niet in samenhang heeft betrokken. Uit de overgelegde verklaringen blijkt volgens eiseres dat de medische behandeling van de kinderen de komende jaren nog zal voortduren. Nu eiseres de enige verzorger is van de tweeling en zij - afgezien van hun broer die op afstand woont en geen zorgtaken verricht met betrekking tot de tweeling - geen andere familieleden in Nederland hebben wonen, is de tweeling afhankelijk van de ondersteuning en verzorging van eiseres. Eiseres heeft in haar beroepschrift tevens toegelicht dat de tweeling niet alleen in medische zin, maar ook praktisch en financieel gezien afhankelijk van haar zijn. Volgens eiseres is de tweeling niet in staat is om zelfstandig in hun eigen levensonderhoud te voorzien. De tweeling ontvangt op dit moment studiefinanciering, maar dit is niet toereikend om te voorzien in hun dagelijkse levensonderhoud, laat staan hun hoge zorgkosten. Dit is volgens eiseres door de minister ten onrechte niet in het bestreden besluit betrokken. Het standpunt van de minister dat de tweeling aanspraak kan maken op de sociale voorzieningen bevreemdt eiseres, aangezien de minister het economische belang van de Nederlandse Staat ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Dit acht eiseres tegenstrijdig. Bovendien meent eiseres dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de tweeling - indien nodig - daadwerkelijk een beroep kan doen op sociale voorzieningen.
6.3.1
De rechtbank overweegt dat er een afgeleid verblijfsrecht kan blijven bestaan op grond van het Unierecht nadat een familielid meerderjarig is geworden. Uit het arrest K.A. volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een dergelijk afgeleid verblijfsrecht kan bestaan, indien een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiseres om dit aannemelijk te maken. [6] De beantwoording van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een individuele beoordeling door de minister van de aangevoerde feiten en omstandigheden. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
6.3.2
Allereerst is de rechtbank in dit verband van oordeel dat minister de voorgeschiedenis en de huidige situatie onvoldoende in onderlinge samenhang heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank geven de (medische) voorgeschiedenis – die uiteindelijk de reden is geweest voor het vertrek van eiseres en haar kinderen vanuit Aruba naar Nederland - en de aard van de door eiseres zorgtaken voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat – anders dan de minister stelt – wel sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen eiseres en de tweeling als bedoeld in het arrest K.A. Eiseres heeft zich vanaf de geboorte van de tweeling actief ingespannen om de benodigde behandelingen en operaties voor de tweeling te faciliteren, zowel op Aruba als in Colombia. Na het overlijden van de vader van de tweeling in 2013, is eiseres er alleen voor komen te staan en heeft zij de volledige zorg- en opvoedtaken van de tweeling op zich genomen. In 2019 bleek de zorg op Aruba [7] niet meer toereikend voor de tweeling. Om die reden zijn eiseres en de tweeling door hun zorgverzekeraar verwezen naar de specialistische zorg in Nederland. Eiseres heeft toen besloten in het belang van de tweeling om hun bestaan in Aruba achter te laten, zodat de tweeling in Nederland kon worden behandeld. Aangenomen kan worden dat door deze ingrijpende gebeurtenissen een onafscheidelijke band is ontstaan tussen de tweeling en eiseres die dieper gaat dan de gebruikelijke band tussen een ouder en kind. Deze hoge mate van afhankelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank door de minister onvoldoende onderkend.
6.3.3.
Verder overweegt de rechtbank dat - zoals eerder al is overwogen - de tweeling onder behandeling staat bij een speciaal schisisteam in het RadboudUMC [8] . In dit verband heeft eiseres een vijftal (medische) documenten overgelegd die zijn beoordeeld door de minister. Het betreft verklaringen van onder andere de behandelend arts van de tweeling en de maatschappelijk werker die bij eiseres betrokken is geweest. Volgens de minister blijkt uit de overgelegde verklaringen dat de aanwezigheid van eiseres in Nederland wenselijk is, maar er is geen sprake van een zodanige afhankelijkheid dat eiseres op geen enkele wijze van de tweeling kan worden gescheiden. Uit de stukken van het RadboudUMC blijkt volgens de minister tevens geen acute medische noodzaak die een bijzondere afhankelijkheid van uitsluitend eiseres meebrengt. Ook uit het behandelplan van de orthodontist en de afsprakenkaart van het RadboudUMC blijkt volgens de minister evenmin van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres en de tweeling. Door elk bewijsmiddel afzonderlijk van elkaar te beoordelen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde (medische) afhankelijkheid niet aannemelijk is gemaakt door eiseres. Hoewel ter zitting door de minister naar voren is gebracht dat de diverse bewijsmiddelen wel degelijk in onderlinge samenhang zijn beoordeeld, komt dit niet expliciet naar voren in het bestreden besluit. Zoals reeds in rechtsoverweging 6.3.2 is overwogen, staat de tweeling vanaf hun geboorte al onder gespecialiseerde medische zorg. Eiseres heeft daarbij een sleutelrol op zich genomen, in die zin dat zij met de tweeling overal naar toe is gereisd, heeft ondersteund en verzorgd, jaar in jaar uit. De behandelingen en medische ingrepen van de tweeling en de positieve uitwerking die dit heeft op het welzijn van de tweeling is dan ook onlosmakelijk verbonden met de zorg en ondersteuning van eiseres. Dat dergelijke zorg ook door ambulante hulp kan worden opgepakt, zoals de minister naar voren brengt, betekent naar het oordeel van de rechtbank geenszins dat de ondersteuning die ambulante hulpverlening zou kunnen bieden vergelijkbaar kan worden geacht met de aard en intensiteit van de zorgtaken die eiseres met betrekking tot de tweeling verricht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zorgtaken waar eiseres in haar gronden naar verwijst, intensiever zijn dan de zorg die ambulante hulp kan bieden. Eiseres biedt immers niet alleen dagelijkse fysieke en praktische begeleiding van de tweeling, maar ook dagelijkse begeleiding van de tweeling op het gebied van het psychische welzijn van de tweeling.
6.7
Het standpunt van de minister dat van meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij in toenemende mate zelfstandig functioneren, gaat naar het oordeel van de rechtbank voorbij aan de aard van deze zaak en is onvoldoende toegespitst op de ontwikkeling van de tweeling. Het standpunt van de minister gaat uit van een ontwikkelingsniveau van een gemiddeld meerderjarig kind dat voor zijn opvoeding en verzorging in afnemende mate afhankelijk is van de ouders, waardoor de noodzaak van verblijf bij de ouders slechts in een zeer beperkt aantal gevallen aanwezig is. [9] Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van de tweeling geen sprake. Zoals eerder al is overwogen, blijkt uit de overgelegde stukken maar ook uit wat door eiseres ter zitting naar voren is gebracht dat eiseres tot op heden alle zorgtaken van de tweeling op zich neemt. Eiseres voorziet in de dagelijkse levensbehoeften van de tweeling, waaronder voeding, huisvesting en begeleiding bij medische behandelingen. De tweeling heeft ter zitting verklaard dat zij door de onderhavige procedure in grote onzekerheid leven. Het vooruitzicht dat eiseres Nederland zou moeten verlaten, geeft de tweeling veel spanning. Deze spanning heeft zich de afgelopen tijd geuit in mentale en fysieke klachten. De tweeling heeft aangegeven in deze procedure veel steun te hebben gehad aan eiseres, die – ondanks haar eigen onzekerheid over de toekomst – de tweeling motivatie heeft gegeven om hun dagelijkse activiteiten, zoals school en werk, voort te zetten. Gelet op wat in de overgelegde stukken naar voren is gekomen en de indruk die de tweeling op zitting achterliet, blijkt dat de tweeling gebaat is bij de structuur en de begeleiding die eiseres kan bieden zodat de tweeling in de toekomst door kan ontwikkelen naar zelfstandige jongvolwassenen. Het bieden van deze vorm van ondersteuning en begeleiding op afstand is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onuitvoerbaar.
6.3.4
Gelet op dit samenstel van omstandigheden, in combinatie met de ontwikkeling van de tweeling, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarbij de tweeling zodanig afhankelijk is van eiseres dat zij op geen enkele manier van haar gescheiden kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiseres geen aanspraak kan maken op voorgezet verblijfsrecht op grond van het arrest K.A.
Artikel 8 EVRM Pro
7.1
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro. Tussen eiseres en de tweeling bestaat gezinsleven, maar na afweging van de belangen is inmenging volgens de minister gerechtvaardigd. Eiseres verbleef in Nederland op grond van artikel 20 VWEU Pro, welk verblijfsrecht rechtstreeks samenhangt met de minderjarigheid van de tweeling. Zij kon er daarom niet op vertrouwen dat zij dit verblijf bij meerderjarigheid kon voortzetten. Ondanks dat het niet haar eerste toelating is, maakt de tijdelijke aard van haar verblijfsrecht dat hier volgens de minister niet veel gewicht aan dient te worden toegekend. Daarnaast maakt Aruba geen deel uit van de Europese Unie, waardoor Unierechtelijke verblijfsrechten daarop niet van toepassing zijn. In het kader van het economische belang stelt de minister dat dit belang van de Nederlandse Staat niet alleen toeziet op de financiële middelen waarmee eiseres voorziet in de levensbehoeften van haarzelf en de tweeling. Het economische belang gaat namelijk ook over voorzieningen als woningen, gezondheidszorg en infrastructuur. De financiële bijdrage die eiseres levert weegt dan ook niet op tegen de aanvullende lasten voor de Staat die haar verblijf met zich meebrengt. Tevens heeft de minister in het nadeel van eiseres meegewogen dat de banden van eiseres met Colombia sterker zijn dan haar banden met Nederland. Er bestaan volgens de minister geen objectieve belemmeringen voor eiseres en de tweeling om hun gezinsleven in Colombia of Aruba uit te oefenen. Ten aanzien van de medische omstandigheden is evenmin gebleken dat het hierdoor noodzakelijk is voor eiseres om in Nederland aanwezig te blijven. Dat eiseres speciaal voor de behandeling van haar kinderen naar Nederland is gekomen, maakt dit niet anders. Tot slot heeft de minister opgemerkt dat in het voordeel van eiseres is meegewogen dat zij geen gevaar voor de openbare orde vormt, maar dit maakt, gelet op het voorgaande, niet dat de gehele belangenafweging in haar voordeel uitvalt.
7.2
Eiseres meent dat de minister een onjuiste en onvolledige belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 EVRM Pro en dat er geen sprake is van een ‘fair balance’. Eiseres voert aan dat deze belangenafweging ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Eiseres stelt vijf jaar lang een geldige verblijfsvergunning in Nederland te hebben gehad. De reden van haar verblijf is vanaf het begin nauw verbonden met de speciale medische behandelingen die de tweeling in Nederland heeft ondergaan. Aangezien de medische behandeling in de toekomst voort zal blijven duren, is het gezinsleven van eiseres en de tweeling dan ook gebonden aan Nederland. Bovendien heeft eiseres voor haar verblijf in Nederland al 15 jaar op Aruba, in het Koninkrijk der Nederlanden, gewoond. Dit is volgens eiseres niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken. Daarnaast heeft de minister volgens eiseres het economisch belang van de Nederlandse Staat ten onrechte in haar nadeel meegewogen. Met haar verblijf in Nederland wordt immers juist een economisch belang gediend: zij werkt, betaalt belasting, betaalt de vaste lasten en betaalt de medische kosten van haarzelf en de tweeling. Hierdoor hoeft de tweeling niet te leunen op sociale voorzieningen en kunnen zij zich focussen op hun opleiding en ontwikkeling. Dit geldt ook voor de medische situatie van de tweeling. Doordat eiseres de tweeling kan ondersteunen en verzorgen, wordt er geen beroep gedaan op de sociale voorzieningen.
7.3
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat tussen eiseres en de tweeling sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM [10] en de Afdeling [11] volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [12] De rechtbank moet beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaaf impliceert verder dat de rechter de door de minister gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen [13] .
7.4
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling in het kader van artikel 8 EVRM Pro een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. De minister heeft daarbij gelet op de voorgeschiedenis onvoldoende gewicht toegekend aan de inmenging in het gezinsleven. Zoals reeds in rechtsoverweging 6.3.2 is overwogen heeft de tweeling op jonge leeftijd hun opgebouwde bestaan op Aruba met eiseres moeten achterlaten om de noodzakelijke zorg in Nederland te krijgen. Dit heeft een onafscheidelijke band gevormd tussen de tweeling en eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de zorg- en opvoedtaken, overeenkomstig het arrest Chavez-Vilchez, door de meerderjarigheid van de tweeling en de daaraan volgens de minister gekoppelde zelfstandigheid [14] , op afstand zouden kunnen worden voortgezet. De minister heeft daarbij ten onrechte overwogen dat er geen objectieve belemmeringen bestaat voor eiseres en de tweeling om hun gezinsleven in Colombia of Aruba uit te oefenen. Uit de overgelegde stukken is namelijk gebleken dat op Aruba de specialistische zorg van de tweeling niet kan worden geboden. Onduidelijk is of de tweeling deze specialistische behandelingen en operaties in Colombia kan krijgen én of een dergelijke impactvolle verhuizing voor de tweede keer in de levens van de tweeling, gelet op hun ontwikkeling en medische achtergrond, verantwoord is. Verder heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat eiseres in staat is gebleken om de financiële zorg van zichzelf en de tweeling op zich te nemen en geen gebruik te maken van de sociale voorzieningen. Gebleken is dat eiseres, indien haar rechtmatige verblijf in Nederland wordt voortgezet, weer aan de slag kan bij haar laatste werkgever. Eiseres heeft ter zitting ook benadrukt dat zij geen last wil zijn voor de Nederlandse Staat. Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen wat hiervoor in rechtsoverweging 6.3.2 tot en met 6.3.4 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiseres, niet in stand kan blijven.
Conclusie
7.4
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 Awb [15] . Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank - met het oog op finale geschillenbeslechting - met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en de minister op te dragen het gevraagde document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw zo snel als mogelijk af te geven aan eiseres, in ieder geval binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
7.5
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- herroept het primaire besluit;
- draagt de minister op het door eiseres gevraagde document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, zo snel als mogelijk aan haar af te geven, in ieder geval binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt de minister op €200,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres en draagt de minister op een bedrag van € 1.868,00 te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
S.E.M. Pot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2017:821.
4.(Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2541, r.o. 3.2.
7.Brief Kinderartsenpraktijk Aruba van 15 april 2019.
8.Radboud Universitair Medisch Centrum.
9.Werkinstructie 2020/16, p. 10.
10.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
13.Uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
14.Zie rechtsoverweging 6.7.
15.Algemene wet bestuursrecht.