ECLI:NL:RBDHA:2026:16917
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. Paffen
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Letland afgewezen
Opposant diende een asielaanvraag in die op 7 april 2026 niet in behandeling werd genomen omdat Letland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 28 april 2026 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van verschoonbare redenen voor het niet tijdig indienen van beroepsgronden.
Tegen deze uitspraak werd verzet ingesteld. Opposant voerde aan dat terugzending naar Letland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege het repressieve grensbeleid van Letland en zijn medische situatie. Hij overlegde medische documenten en een brief van zijn oom.
De rechtbank oordeelde dat deze argumenten onvoldoende zijn om het eerdere oordeel te herzien. Er is geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding en geen concrete aanwijzingen dat overdracht aan Letland een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en toetsing van indirect refoulement in de Dublinprocedure is niet toegestaan.
Daarom is er geen redelijke twijfel over het eerdere oordeel en wordt het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak blijft in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.