ECLI:NL:RBDHA:2026:16895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/8704
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.49 WkoArt. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schuld aan gastouder wegens onvoldoende bewijs

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. De minister weigerde de overname van een schuld van €42.000,- aan een gastouder wegens het ontbreken van voldoende bewijsstukken dat de schuld bestond en onbetaald was gebleven.

Eiseres stelde dat zij voldoende stukken had verstrekt, waaronder een overeenkomst van opdracht en facturen, en beriep zich op de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde echter dat de stukken niet aannemelijk maakten dat de gastouder een vordering op eiseres had, mede vanwege de driehoeksverhouding tussen gastouder, gastouderbureau en eiseres.

De rechtbank verwierp het beroep van eiseres als ongegrond en bevestigde dat de minister terecht de schuld niet heeft overgenomen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van overname van de schuld aan de gastouder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8704

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Polat).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om private schulden van eiseres over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit I van 7 juli 2023 heeft verweerder geweigerd vier private schulden van eiseres over te nemen. Met het primaire besluit II van 19 september 2023 heeft verweerder geweigerd een private schuld van eiseres over te nemen.
1.2.
Met het bestreden besluit I van 12 september 2024 (kenmerk: DGH-BOB-B1299) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit II van 12 september 2024 (kenmerk: DGH-BOB-B0852) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.
1.3.
Tijdens de beroepsfase heeft verweerder herziene besluiten genomen. Met het herziene besluit I (kenmerk: DGH-BOB-B1299) van 2 juni 2025 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en vervangen door dit nieuwe besluit. Verweerder verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk. Met het herziene besluit II (kenmerk: DGH-BOB-B0852) van 1 juli 2025 heeft verweerder het bestreden besluit II ingetrokken en vervangen door dit nieuwe besluit. Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.
1.4.
Het beroep van eiser wordt geacht mede te zijn gericht tegen de herziene besluiten. [1]
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder als gevolg van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft de SBN verzocht om betaling van private schulden. De SBN heeft in het primaire besluit I bepaald dat de schulden bij Direct Pay Services B.V. (een bedrag van € 553,68 en een bedrag van € 640,81) en de (niet-gespecifieerde) schuld bij [de gastouder] (hierna: de gastouder), (nog) niet worden overgenomen, omdat de schuldeisers nog niet (volledig) hebben gereageerd. Als zij binnen drie maanden alsnog reageren dan worden de schulden opnieuw bekeken (afwijzingscode 11). De schuld bij HumanKind Kinderopvang (een bedrag van € 42.000,-) is afgewezen met code 18. Dat betekent dat het geen schuld is en er niets kan worden betaald.
2.2.
In het primaire besluit II heeft de SBN de schuld ter hoogte van € 42.000,- bij de gastouder (opnieuw) afgewezen met code 11.
2.3.
Verweerder heeft het bezwaar tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres haar bezwaar te laat heeft ingediend. Volgens verweerder is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft wel een ambtshalve beoordeling gegeven.
2.4.
Het bezwaar tegen het primaire besluit II is ongegrond verklaard. De schuldeiser heeft op 11 juli 2023 een overzicht verstrekt, waarin is aangegeven dat de netto vordering € 42.000,- bedraagt. De vordering is ontstaan op 1 december 2013 en op diezelfde datum opeisbaar geworden. Op 12 september 2023 heeft de SBN om nadere informatie gevraagd, zoals een nota/factuur, vonnis, dagvaarding, een document waaruit de aard en hoofde van de schuld blijkt, een document waarop te zien is dat de vordering opeisbaar is geworden of een uitsplitsing van de vordering met kosten, rente en al betaalde bedragen. Op 13 september 2023 heeft de schuldeiser gereageerd dat zij niet meer aan bewijsstukken kan komen omdat het gastouderbureau Humanitas waarmee zij samenwerkte al negen jaar niet meer bestaat. Doordat de schuldeiser geen stukken heeft aangeleverd is het voor de SBN niet mogelijk te beoordelen of de schuld voldoet aan de voorwaarden van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder over voldoende stukken beschikt om de schulden te kunnen beoordelen. Daarnaast kan het haar ook niet worden verweten als verweerder niet beschikt over de benodigde stukken. Het is onterecht als zij hier de dupe van wordt. Eiseres heeft een overeenkomst van opdracht met de gastouder en enkele facturen van Kinderopvang Humanitas verstrekt.
3.1.
Daarnaast beroept eiseres zich op de hardheidsclausule, waarmee verweerder kan afwijken van de bestaande regels. Eiseres snapt niet waarom verweerder haar schulden niet kan overnemen. Zij heeft alle informatie die zij had van haar schuldeisers en die zien op de schulden aan verweerder gegeven. De eisen die verweerder stelt om de schulden te vergoeden leidt tot een onbillijke uitkomst voor eiseres, namelijk dat haar schulden niet worden overgenomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank
Is het bezwaar tegen het primaire besluit I terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiseres heeft voor het eerst op zitting aangevoerd dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat zij het primaire besluit I wel per post heeft ontvangen, maar pas medio oktober 2023. Volgens eiseres is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres dit moeten aanvoeren in het (aanvullend) beroepschrift tegen het herziene besluit I. Dit voor het eerst op zitting aanvoeren is te laat en daarom in strijd met de goede procesorde. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat verweerder in het herziene besluit I wel een ambtshalve beoordeling heeft verricht en heeft toegelicht waarom de schulden niet zijn overgenomen. Verweerder heeft er daarbij ook op gewezen dat eiseres de schulden bij DirectPay alsnog kan indienen en dat deze dan wederom zullen worden beoordeeld.
Is de schuld bij de gastouder met het herziene besluit II terecht afgewezen?
5. De vraag die vervolgens bij de rechtbank voorligt is of verweerder de schuld van eiseres van € 42.000,- aan de gastouder terecht niet heeft overgenomen omdat zij onvoldoende stukken heeft om de schuld te beoordelen.
5.1.
Eiseres heeft op 7 augustus 2013 een overeenkomst gesloten met de gastouder via gastouderbureau Humanitas. Eiseres heeft verweerder verzocht om overname van haar schuld bij de gastouder. Ter onderbouwing van deze schuld heeft eiseres verschillende stukken verstrekt: de overeenkomst van opdracht tussen de gastouder en eiseres waarbij Humanitas als gastouderbureau is betrokken, verschillende facturen van Humanitas aan eiseres met betrekking tot opvang bij de gastouder en een factuur met een betalingsbewijs van servicekosten aan Humanitas. Anders dan eiseres stelt is met deze documenten naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de gastouder vorderingen op eiseres heeft (gehad) en dat deze onbetaald zijn gebleven. De facturen voor de opvang zijn gericht aan eiseres zelf en zijn aan haar gefactureerd door Humanitas. Er zijn geen aanknopingspunten dat de gastouder een vordering op eiseres heeft. Bovendien blijkt ook nergens uit dat die eventuele vorderingen niet zijn betaald en dat de gastouder die heeft opgeëist. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de schuld met code 11 weigeren. Er zijn onvoldoende bewijsstukken en aanknopingspunten dat de gastouder een vordering heeft op eiseres. Dat eiseres het oneerlijk vindt dat zij er de dupe van wordt dat verweerder niet voldoende stukken heeft maakt dit niet anders. De bewijslast ligt hierin namelijk bij haar.
5.2.
Op zitting heeft eiseres op artikel 10 van Pro de overeenkomst van opdracht verwezen, waarin staat dat eiseres de vergoeding voor de opvang verschuldigd is aan de gastouder. Volgens eiseres volgt hieruit dat de gastouder dus een vordering op haar heeft. Verweerder heeft er op zitting terecht op gewezen dat in ditzelfde artikel 10 ook Pro staat dat Humanitas de kassiersfunctie vervult, wat betekent dat het gastouderbureau de betalingen van ouders aan de gastouders doorgeleidt. [2] Er is dus sprake van een driehoeksverhouding, waarbij de gastouder een vordering op het gastouderbureau kan hebben, maar niet direct op eiseres.
5.3.
Eiseres heeft voor dit punt op de zitting nog verwezen naar een uitspraak van de bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam [3] waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder wel tot betaling van de schuld aan de gastouder moet overgaan. In die uitspraak verwijst rechtbank Rotterdam allereerst naar het vonnis van de civiele kamer waarbij de vordering van de gastouder op de ouder is afgewezen, omdat de gastouder geen eigen vorderingsrecht heeft op de ouder. Alleen het gastouderbureau kan betaling afdwingen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 29 oktober 2025 vervolgens geoordeeld dat verweerder de vordering van de gastouder (op het gastouderbureau) wél aan de ouder moet vergoeden.
5.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitspraak van 29 oktober 2025 te volgen. Daarbij is van belang dat de zaken van elkaar verschillen, alleen al omdat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat er überhaupt een vordering is die opeisbaar is geworden. Gelet op de driehoeksverhouding en artikel 1.49, vierde lid, aanhef en onder b van de Wko ziet de rechtbank bovendien niet in waarom verweerder een eventuele vordering van de gastouder op het gastouderbureau zou moeten overnemen.
Hardheidsclausule
6. Eiseres beroept zich op de hardheidsclausule. Op zitting heeft zij voor het eerst gesteld dat de gastouder haar al jaren aanspreekt en lastigvalt. Eiseres ervaart (psychische) druk van de gastouder om de vordering te betalen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat, nog daargelaten dat het aan eiseres is om haar beroep op de hardheidsclausule te onderbouwen en zij dit niet heeft gedaan, op grond van artikel 9.1 van de Wht van artikel 4.1 van de Wht kan worden afgeweken, voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Nu in dit geval nog niet vaststaat of sprake is van een schuld, ziet de rechtbank niet in op welke manier een beroep op de hardheidsclausule in dit geval zou kunnen slagen. Eerst als vaststaat dat er een schuld is, wordt namelijk pas toegekomen aan de vraag wanneer deze is ontstaat en of deze voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Van deze voorwaarden kan dan vervolgens eventueel, bij een geslaagd beroep op de hardheidsclausule, worden afgeweken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziene bestreden besluiten I en II in stand blijven.
8. Omdat het instellen van beroep heeft geleid tot de herziene besluiten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom ook in de door eiseres in deze zaak gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie ook artikel 1.49, vierde lid, aanhef en onder b van de Wet kinderopvang (Wko).
3.Zie de uitspraak van 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12678.