Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16887

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AWB 23_10189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 8:57 AwbUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Eiser, een derdelander uit Nigeria met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg in Nederland facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de EU-Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister beëindigde deze bescherming per 4 september 2023 en legde een terugkeerbesluit op, waartegen eiser beroep instelde.

Na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd het beëindigingsbesluit op 31 januari 2024 ingetrokken, waardoor het recht op tijdelijke bescherming van rechtswege verlengd werd tot 4 maart 2024. Eiser handhaafde zijn beroep, maar de rechtbank oordeelde dat hij geen procesbelang meer had omdat het intrekken van het besluit het beoogde doel al bereikte.

De rechtbank besloot daarom het beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder inhoudelijke behandeling. Er werden geen kosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn op 12 juni 2026 te Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/10189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 31 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 23/10190). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken.
2.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser komt uit Nigeria. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [3] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit).
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft dit besluit ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. [4] Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
Heeft eiser procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep?
4. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de vraag of er sprake is van procesbelang het erom gaat of het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. [5] Procesbelang is er niet als elk belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
4.1.
De minister heeft het besluit van 31 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit op 31 januari 2024 ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Eiser kan niet meer of anders bereiken, dan met het intrekken van het besluit al is bereikt. De rechtbank geeft daarom geen inhoudelijk oordeel over het beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1788.