ECLI:NL:RBDHA:2026:16885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14996
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming

De asielzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag.

De asielzoeker is geregistreerd als zelfstandig vertrokken uit Nederland met onbekende bestemming en heeft sindsdien geen contact meer met zijn gemachtigde. Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een asielzoeker die zonder bericht vertrekt en geen contact onderhoudt geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

De rechtbank concludeert dat de asielzoeker geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 17 maart 2026. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en doet geen inhoudelijke uitspraak over de asielaanvraag.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier J. Dommerholt. De asielzoeker kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14996

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Sinniah).

Inleiding

1. Bij besluit van 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft bij brief van 11 mei 2026 toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. Van de gemachtigde is geen reactie ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat geen prijs gesteld wordt op een nadere zitting en heeft op 6 mei 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 27 mei 2026 geen doorgang vindt. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. Verweerder heeft op 30 maart 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat eiser op 26 maart 2023 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als ‘zelfstandig uit Nederland vertrokken’. De rechtbank heeft vervolgens aan de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 15 april 2026 te kennen gegeven dat het contact met eiser verloren is gegaan.
4. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 17 maart 2026.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.