ECLI:NL:RBDHA:2026:16869

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19666
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.G. Noordhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Portugal volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelde dat er tekortkomingen zijn in de Portugese asielprocedure en opvang, en dat hij risico loopt op indirect refoulement naar Angola. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende feiten of objectieve gegevens heeft overgelegd die een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest aantonen.

Verder is vastgesteld dat Portugal het verzoek tot overname heeft aanvaard en dat eiser de mogelijkheid heeft klachten in te dienen bij Portugese autoriteiten. De minister hoefde geen medisch onderzoek te gelasten omdat eiser geen medische documenten overlegde. Ook is de discretionaire bevoegdheid van de minister om de aanvraag aan zich te trekken niet onjuist toegepast.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Portugal een verzoek om overname gedaan. Portugal heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4.1.
Eiser betoogt dat de minister voor Portugal niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat er tekortkomingen zijn gerelateerd aan de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser betoogt dat de minister de verschillende bronnen, informatie en jurisprudentie waarnaar hij in zijn zienswijze heeft verwezen, onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. De minister bevestigt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar stelt onvoldoende gemotiveerd dat het weigeren van opvang niet structureel gebeurt. Tot slot betwist eiser dat hij zich bij voorkomende problemen tot de hogere autoriteiten in Portugal kon en kan wenden.
4.2.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Portugal een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van Pro het Handvest van de Europese Unie (Handvest), of als de minister daarvan niet onkundig kan zijn. [2] Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [3] Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft gesteld of objectieve gegevens heeft overgelegd die wijzen op een reëel risico van strijdigheid met artikel 4 van Pro het Handvest. Uit het AIDA-rapport Portugal (update 2024) blijkt dat in Portugal voor asielzoekers toegang is tot rechtshulp en dat de opvangcapaciteit in 2024 met een noodplan is vergroot. Hieruit volgt niet dat eiser geen opvang zal krijgen. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde artikelen van Amnesty International [4] en van Madeira Corporate Services [5] , voor de procedure van eiser niet relevant zijn. Deze artikelen gaan namelijk niet over de situatie van Dublinclaimanten zoals eiser, maar over de situatie voor arbeidsmigranten en expats. Bovendien wijst de minister er terecht op dat eiser de kwaliteit van de asielprocedure en de opvang in Portugal niet zelf heeft ervaren, omdat hij nog geen asiel heeft aangevraagd in Portugal en niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen. Daarbij heeft Portugal met het claimakkoord beloofd de asielaanvraag van eiser te behandelen. Bovendien heeft eiser, wanneer hij problemen ondervindt, de mogelijkheid daarover een klacht in te dienen bij de Portugese autoriteiten.
Indirect refoulement
5. Eiser betoogt dat overdracht naar Portugal een risico op indirect refoulement zal opleveren, omdat de asielprocedure in Portugal aan verzoeker onvoldoende waarborgen biedt en zodoende de kans oplevert dat hij naar Angola wordt overgebracht. Eiser voert aan dat hij in Angola te vrezen heeft voor vervolging of onmenselijke behandeling.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals in paragraaf 4.3 overwogen staat voorop dat de minister voor Portugal terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt verder vast dat uit de uitspraken van het Hof van Justitie (HvJEU) [6] en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [7] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Portugal een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kan eiser in Portugal aankaarten. Portugal heeft namelijk door het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser daar in behandeling wordt genomen.
Had de minister een medisch onderzoek moeten gelasten?
6. Wat betreft het beroep dat eiser doet op het arrest C.K. [8] waarbij hij stelt dat de minister een onderzoek van het Bureau Medische Advisering moet gelasten, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij dat niet doet omdat eiser geen medische documenten heeft overgelegd.
Moest de minister gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken?
7. Eiser betoogt verder dat de minister op discretionaire gronden de asielaanvraag op zich had moeten nemen. Eiser wijst daartoe op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij meent dat de toetsing door de minister van dat artikel onvoldoende is geweest en dat de motivering in de beschikking niet als gemotiveerde weerlegging kan gelden. Als individuele omstandigheid wijst hij in het beroepsschrift op zijn medische problemen.
7.1.
Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening kan een lidstaat onverplicht de behandeling van een asielaanvraag aan zich trekken. Dit doet de minister onder meer als er concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt en indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. [9]
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Op grond van vaste jurisprudentie mocht de minister voor de beoordeling of sprake is van niet-nakoming van internationale verplichtingen door Portugal of onevenredige hardheid van de overdracht van eiser aan Portugal volstaan met een verwijzing naar die eerdere beoordeling, zonder deze omstandigheden opnieuw afzonderlijk te wegen. [10] De minister heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verder niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser zijn gestelde psychische, slaap- en stressproblemen niet heeft onderbouwd met medische documenten en dat er daarom geen aanwijzingen zijn dat eiser in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling dient te ondergaan. Ook meent de minister niet ten onrechte dat medische problemen van eiser net zo goed in Portugal behandeld kunnen worden als in Nederland.
Verwijzing naar zienswijze en overige stukken
8. Eiser verwijst in zijn beroepschrift in het algemeen naar de zienswijze en naar de overige stukken die zich in het dossier bevinden. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
2.Dit kader staat beschreven in het Arrest X: Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, overwegingen 76-77.
3.De Jawo-drempel: zie het arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
4.[website 1].
5.[website 2].
6.HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
7.ABRvS 23 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
8.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.
9.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
10.ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, rechtsoverweging 7.3.