Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16862

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19277-V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 34 lid 1 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep verblijfsvergunning asiel wegens Dublin-onderzoek

Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had op 11 mei 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij oordeelde dat de beslistermijn nog niet was verstreken vanwege een Dublin-onderzoek.

Opposant ging in verzet tegen deze uitspraak en stelde dat het Dublin-onderzoek niet juist was toegepast, omdat het slechts ging om een leeftijdsvaststelling en geen verdere handelingen die de beslistermijn opschorten. De rechtbank oordeelde dat het niet zonder meer vaststond dat de beslistermijn later was aangevangen en dat de zaak niet zonder zitting had mogen worden afgedaan.

De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en hervatte het onderzoek in de stand van voor de niet-ontvankelijkverklaring. Er werd nog geen inhoudelijke beslissing genomen over het beroep zelf of de proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd, waarna het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

Uitspraak verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19277-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[opposant], V-nummer: [V-nummer] , opposant (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend, omdat geopposeerde volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 mei 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank van oordeel was dat de beslistermijn ten tijde van de ingebrekestelling nog niet was verlopen.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro Awb.
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 niet juist was.
5. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 onjuist, omdat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een Dublin-onderzoek en het daardoor gewijzigde aanvangsmoment van de beslistermijn. Gemachtigde van opposant stelt dat het in deze zaak uitsluitend ging om de vaststelling van de leeftijd van opposant en dat geopposeerde daarna geen andere handelingen heeft verricht die als Dublin-onderzoek kunnen worden beschouwd. Opposant is van mening dat de proceshandelingen van geopposeerde juist het tegendeel aantonen.
6. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de minister heeft onderzocht of Nederland de aanvraag wel in behandeling moest nemen, waardoor de beslistermijn pas later is aangevangen.
7. Een informatieverzoek in het kader van de Dublinverordening kan verschillende doelen hebben, zoals beschreven in artikel 34, lid 1, onderdelen a tot en met c van de Dublinverordening. Onder onderdeel a valt een informatieverzoek wanneer geopposeerde onderzoekt of de Dublinverordening van toepassing is. Onder onderdeel b gaat het om een informatieverzoek dat uitsluitend dient voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Een juiste interpretatie van de Dublinverordening en het informatieverzoek is van belang, omdat dit invloed heeft op het moment waarop de verantwoordelijkheid van Nederland voor de behandeling van de aanvraag aanvangt.
8. De rechtbank moet bij de beoordeling van het beroep vaststellen of de handelingen van geopposeerde kunnen worden gezien als onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening. In dit geval betreft het een verzoek aan de Spaanse autoriteiten om informatie, onder meer over de leeftijd van opposant. Geopposeerde heeft daarna geen aanvullend onderzoek verricht dat duidt op toepassing van de Dublinverordening. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet zonder twijfel vaststaat dat de verantwoordelijkheid van Nederland later is ingegaan dan direct na ontvangst van de aanvraag.
9. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 11 mei 2026 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
10. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 11 mei 2026 werd gedaan. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposant gelijk zal geven in de beroepszaak. Dat moet nog beoordeeld worden.
11. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.