Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.19277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij asielaanvraag Dublinverordening

Eiser diende op 13 september 2025 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Uit het Eurodac-systeem bleek dat hij Europa via Spanje was binnengekomen. De minister verzocht op 6 november 2025 informatie van de Spaanse autoriteiten, die op 13 november 2025 reageerden.

De minister diende echter niet binnen twee maanden na het Eurodac-onderzoek een overnameverzoek in bij Spanje, waardoor Nederland per 25 november 2025 verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag. De beslistermijn van zes maanden liep daardoor tot uiterlijk 25 mei 2026.

Eiser stelde de minister op 17 maart 2026 in gebreke, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen4, vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiser heeft op 13 september 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Elf dagen later, op 24 september 2025, bleek uit het Eurodac-systeem dat eiser Europa via Spanje is ingereisd. De minister heeft Spanje daarom op 6 november 2025 verzocht om informatie over eiser aan te leveren.6 De Spaanse autoriteiten hebben op 13 november 2025 op dit verzoek gereageerd en de gevraagde informatie overgelegd.
5. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen twee maanden na het Eurodac-onderzoek, dus uiterlijk op 24 november 2025, een overnameverzoek heeft ingediend bij de Spaanse autoriteiten. De minister is daarom per 25 november 2025 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dit betekent dat de minister in beginsel uiterlijk op 25 mei 2026 op de aanvraag moet beslissen.7
6. Eiser heeft de minister op 17 maart 2026 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
6 Artikel 34 van Pro de Dublinverordening.
7 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.