Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16853

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Tunesische vreemdeling, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurde voort en de minister stelde de rechtbank op 5 juni 2026 hiervan in kennis, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 30 maart 2026 en oordeelde toen dat de maatregel rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. Bij de huidige beoordeling richtte de rechtbank zich daarom op de periode na dat moment. Eiser diende geen beroepsgronden in en reageerde niet op de voortgangsrapportage.

Desondanks voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat er geen onrechtmatigheid was in het voortduren van de bewaring. De rechtbank nam in aanmerking dat er zicht is op uitzetting naar Tunesië, dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat eiser onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van documenten voor een laissez-passer.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer en griffier B.S. Beens op 18 juni 2026 in Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31458

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Procesverloop

De minister heeft op 13 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 5 juni 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1990.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 maart 2026 (in de zaak NL26.14419) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend en ook niet heeft gereageerd op het verzoek om te reageren op de voortgangsrapportage. De rechtbank is echter gehouden om het voortduren van de bewaring ook ambtshalve te toetsen. [1]
4.1.
De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Daarbij betrekt zij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Tunesië [2] in het algemeen niet ontbreekt. De omstandigheid dat er gedurende de vrijheidsbeneming nog geen laissez-passer is verstrekt kan de minister niet worden verweten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Bovendien rust er op eiser een verplichting op actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende de inbewaringstelling inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een laissez-passer zouden kunnen bevorderen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan eiser uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 2 april 2026, 23 april 2026 en 15 mei 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten. Daarnaast zijn er op 13 april 2026, 4 mei 2026 en op 3 juni 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, en van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.
2.Zie de uitspraken van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990 en 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275.