ECLI:NL:RBDHA:2026:16749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
FA RK 25-5402 C/09/688614
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning minderjarigen wegens ontbreken wilsgebrek

De man verzocht de rechtbank om de erkenning van twee minderjarigen, verricht in 2015, te vernietigen op grond dat hij niet hun biologische vader is en dat hij onder emotionele druk tot erkenning is overgegaan. Hij stelde dat de erkenning niet in zijn belang was vanwege financiële en erfrechtelijke gevolgen en dat het in stand laten van de familierechtelijke band een inbreuk vormt op zijn privéleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank nam kennis van de stukken, waaronder pleitnotities, verslagen van de bijzondere curator en diverse berichten van de advocaat van de man. De vrouw en de minderjarigen verschenen niet, ondanks oproepingen en uitnodigingen. De bijzondere curator adviseerde afwijzing van het verzoek, stellende dat geen sprake was van een wilsgebrek gericht op het biologische vaderschap en dat de man wist welke kinderen hij erkende.

De rechtbank oordeelde dat de man zijn stelling omtrent het ontbreken van biologisch vaderschap onvoldoende had onderbouwd met bewijs, maar rekening hield met aanwijzingen zoals het ontbreken van zijn naam op geboorteakten en latere inschrijving op hetzelfde adres. De rechtbank volgde de bijzondere curator dat er geen sprake was van een wilsgebrek bij erkenning, omdat de man en vrouw wisten dat hij niet de biologische vader was. De rechtbank verwierp het beroep op artikel 8 EVRM Pro en stelde dat de limitatieve opsomming van wilsgebreken in artikel 1:205 BW Pro niet in strijd is met het EVRM.

Omdat de vrouw en minderjarigen niet verschenen, kon de rechtbank niet vaststellen of vernietiging in hun belang zou zijn. Vernietiging zou een inbreuk op hun familie- en privéleven vormen. De rechtbank wees het verzoek af, ontsloeg de bijzondere curator en bepaalde dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de erkenning van de minderjarigen wordt afgewezen wegens ontbreken van een wilsgebrek en onvoldoende bewijs van niet-biologisch vaderschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: C/09/68814
Zaaknummer: FA RK 25-5402
Datum beschikking: 21 mei 2026

Vernietiging erkenning

Beschikking op het op 10 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Kaynak te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te
[geboorteplaats] ,
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G. Schnoor advocaat te ‘s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van mr. A. Kaynak van 25 juli 2025, met bijlage;
  • het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 30 september 2025;
  • het bericht van mr. A. Kaynak van 7 oktober 2025, met bijlage;
  • het aanvullend verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 15 oktober 2025;
  • het bericht van mr. A. Kaynak van 14 april 2026, met bijlagen.
Op 16 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de bijzondere curator.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. De vrouw is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter om hun mening te geven over het verzoek, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Verzoek

De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de erkenning van de minderjarigen door de man, verricht op 2 maart 2015, te vernietigen op grond van artikel 1:205 BW Pro;
te bepalen dat deze beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw van de minderjarigen, voor zover vereist;

subsidiair, voor het geval het primaire verzoek (nog) niet wordt toegewezen:

3. een bijzondere curator te benoemen voor de minderjarigen op grond van artikel 1:250 BW Pro met als opdracht de belangen van de minderjarigen te vertegenwoordigen in onderhavig geschil;
kosten rechtens.

Feiten

  • Uit de vrouw zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
  • De man heeft de minderjarigen op 2 maart 2015 erkend.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 1 augustus 2025 is mr. Schnoor voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Juridisch kader
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW Pro kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven.
Standpunt man
De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij niet de biologische vader van de minderjarigen kan zijn, omdat hij pas enkele jaren na de geboorte van de minderjarigen een affectieve relatie met de vrouw heeft gekregen. De man stelt primair dat sprake was van dwaling bij de erkenning van de minderjarigen. De man heeft de minderjarigen erkend onder emotionele druk van de vrouw, met als doel een gezin te creëren. De vrouw heeft daarbij de indruk gewekt dat erkenning in het belang van de minderjarigen was en dat er geen reële rechten of verplichtingen aan verbonden zouden zijn na beëindiging van de relatie. De relatie is binnen een jaar na de erkenning door de vrouw verbroken en sindsdien heeft de man geen contact meer gehad met de minderjarigen. De man was zich onvoldoende bewust van de juridische gevolgen van de erkenning, waaronder een onderhoudsplicht. Bij een juiste voorstelling van zaken zou de man niet tot erkenning zijn overgegaan. De man heeft belang bij de vernietiging van de erkenning, omdat hem door de [gemeente] een verhaalsbijdrage is opgelegd.
Het in stand laten van de familierechtelijke band tussen de man en de minderjarigen, heeft financiële en erfrechtelijke consequenties voor de man en zijn biologische kind en vormt daarmee een inbreuk op zijn door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde familie- en privéleven. Deze inmenging strekt zicht uit over het gehele verdere leven van de man, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Er is immers geen sprake van contact, afhankelijkheid of een emotionele relatie tussen de man en de minderjarigen. De man acht het in stand laten van de familierechtelijke relatie ook niet in het belang van de minderjarigen.
De man stelt dat aan het advies van de bijzondere curator voorbij moet worden gegaan, omdat daarin ten onrechte de belangen van de minderjarigen niet zijn betrokken.
Standpunt bijzondere curator
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man af te wijzen. De bijzondere curator wijst erop dat van dwaling in de zin van artikel 1:205 lid 1 aanhef Pro en onder b BW slechts sprake is als de dwaling de erkenning zelf betreft. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat de man wist welke kinderen hij erkende en ook wist dat hij niet hun biologische vader was. De feiten en omstandigheden die de man aan zijn beroep op dwaling ten grondslag legt, betreffen niet de erkenning zelf, maar de motieven die tot erkenning hebben geleid. Dit geldt eveneens voor een eventueel beroep van de man op bedrog van de kant van de vrouw. De termijn voor de man om te komen tot een vernietiging van de erkenning, is bovendien ruimschoots verstreken.
Omdat de minderjarigen en de vrouw niet hebben gereageerd op de berichten van de bijzondere curator, kan de bijzondere curator niet beoordelen of vernietiging van de erkenning in het belang van de minderjarigen is. De bijzondere curator neemt daarom het verzoek van de man niet over.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat de man zijn stelling dat hij niet de biologische vader van de minderjarigen is niet nader heeft onderbouwd. De man heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de verwekking en geboorte van de minderjarigen nog geen affectieve relatie met de vrouw had, maar geen bewijsstukken ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling. Reeds daarom kan het verzoek van de man niet worden toegewezen.
De rechtbank ziet in de overgelegde stukken echter wel aanwijzingen die de stelling van de man ondersteunen, zoals het feit dat hij niet als vader genoemd is op de geboorteakten van de minderjarigen en pas in 2014 – dus enkele jaren na de geboorte van de minderjarigen – voor het eerst met de vrouw en de minderjarigen op één adres in het BRP ingeschreven heeft gestaan. De rechtbank heeft bovendien oog voor de moeilijke bewijspositie van de man, die door het uitblijven van een reactie van de vrouw en de minderjarigen niet in staat is om zijn stelling met bijvoorbeeld een DNA-onderzoek te onderbouwen. Dat alles maakt dat de rechtbank volledigheidshalve ook hetgeen overigens door de man is aangevoerd zal beoordelen. Daarbij zal de rechtbank er – voor de leesbaarheid van deze uitspraak – vanuit gaan dat de man en de vrouw pas enkele jaren na de geboorte een affectieve relatie hebben gekregen en dat tussen hen vaststaat dat de man niet de biologische vader is van de minderjarigen.
De rechtbank is met de bijzondere curator van oordeel dat er bij de erkenning geen sprake was van een wilsgebrek. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
In beginsel kan een erkenner niet terugkomen op de door hem verrichte rechtshandeling, ook niet als hij niet de biologische vader is van het kind dat hij erkend heeft. Hij kan alleen vernietiging van de door hem verrichte erkenning verzoeken als hij door een wilsgebrek als bedoeld in artikel 1:205, lid 1 sub b, BW is overgegaan tot die erkenning. Volgens vaste rechtspraak moet dat wilsgebrek betrekking hebben op het biologische vaderschap [1] .
Uit de overgelegde stukken en wat op zitting is besproken, blijkt dat de gestelde dwaling dan wel het bedrog niet ziet op het biologisch vaderschap, maar op de voorstelling die de man had van een leven samen met de vrouw en de minderjarigen als gezin. Zowel de man als de vrouw wisten immers ten tijde van de erkenning dat de man niet de biologische vader van de minderjarigen is. Gelet op het voorgaande is bij de man op het moment van erkenning van de minderjarigen ten aanzien van het biologisch vaderschap geen sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken, zodat een beroep op dwaling dan wel bedrog niet kan slagen. De omstandigheid dat de man de eventuele consequenties van zijn erkenning destijds niet (goed) heeft overzien, zowel financieel niet als in het geval de relatie mogelijk zou stranden, maakt dit niet anders. Het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning op grond van artikel 1:205 lid Pro 1, sub b BW moet daarom worden afgewezen.
De stelling van de man dat zijn verzoek – ook als er geen sprake zou zijn van een wilsgebrek – zou moeten worden toegewezen omdat de strikte uitleg van artikel 1:205 lid 1 onder Pro b BW leidt tot een voortdurende en ongerechtvaardigde inmenging in zijn privéleven en daarom in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak [2] volgt dat de limitatieve opsomming van artikel 1:205 lid 1 BW Pro zich niet leent voor een ruime uitleg. De limitatieve opsomming van de wilsgebreken zijn door de wetgever opgenomen vanwege het grote belang van een kind bij het hebben van een juridische afstammingsband met zijn ouders. Deze band wordt beschermd door het EVRM en het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind. De wetgever heeft bedoeld alleen in bijzondere gevallen het mogelijk te maken dat een ouder de erkenning laat vernietigen. Gelet op het feit dat de wet daarnaast het kind (indien minderjarig vertegenwoordigd door een bijzondere curator) de mogelijkheid biedt om een verzoek tot vernietiging van de erkenning in te dienen, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de limitatieve opsomming van artikel 1:205 lid 1 BW Pro en de strikte uitleg daarvan, niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
De stelling van de man dat aan het advies van de bijzondere curator voorbij gegaan moet worden omdat de belangen van de minderjarigen daarin niet zijn beoordeeld, volgt de rechtbank niet. Ook de stelling van de man dat bij de beoordeling van zijn verzoek moet worden betrokken dat de minderjarigen mogelijk belang hebben bij inwilliging daarvan, volgt de rechtbank niet. Omdat de vrouw en de minderjarigen niet in deze procedure zijn verschenen en geen gehoor hebben gegeven aan de uitnodigingen van de bijzondere curator, kan de rechtbank niet vaststellen of vernietiging van de erkenning in het belang van de minderjarigen is. Vernietiging van de erkenning zou een inbreuk opleveren op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en privéleven van de minderjarigen en daartoe kan de rechtbank niet overgaan louter op basis van de speculaties van de man betreffende de belangen en wensen van de minderjarigen. Zoals hiervoor overwogen zijn de belangen van de minderjarigen voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid die de wet hen biedt om zelf een verzoek om vernietiging van de erkenning in te dienen.
Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:205 lid Pro 1, aanhef en onder b BW.
Ontslag bijzondere curator
De rechtbank zal de bijzonder curator van zijn taak ontslaan omdat in deze zaak een eindbeschikking wordt uitgesproken.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst de verzoeken af;
*
ontslaat de bijzondere curator van zijn taak;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2026.

Voetnoten

1.O.a. Hoge Raad 7 september 1984,
2.O.a. gerechtshof Den Haag , 20 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1889.