ECLI:NL:RBDHA:2026:16748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/687847 / HA RK 25-339
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 278 RvArt. 284 RvArt. 36 Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker geboren in Servië

Verzoeker, geboren in 1985 in het huidige Servië, vluchtte in 1997 met zijn ouders naar Nederland en vroeg asiel aan, wat werd afgewezen. Na diverse ongewenstverklaringen en inreisverboden verzoekt hij de rechtbank om vaststelling van zijn staatloosheid. De Staat betwist aanvankelijk de identiteit van verzoeker vanwege het ontbreken van officiële documenten, maar erkent op de zitting geen twijfel over zijn identiteit.

De rechtbank weegt alle overgelegde documenten, waaronder geboorteaktes en asielrapporten van de ouders, en concludeert dat verzoekers identiteit vaststaat. De beoordeling richt zich vervolgens op de vraag of Servië verzoeker als onderdaan beschouwt. Ondanks dat verzoeker volgens de Servische wetgeving nationaliteit zou moeten hebben, tonen teruggeleidingsverzoeken en communicatie met Servische autoriteiten aan dat Servië hem niet als staatsburger erkent, mede vanwege zijn Roma afkomst en discriminatie.

De rechtbank volgt de jurisprudentie en internationale richtlijnen die stellen dat staatloosheid ook kan worden vastgesteld als een staat iemand in de praktijk niet als onderdaan beschouwt, ongeacht de formele wetgeving. Gezien het ontbreken van bewijs dat verzoeker door enige staat als onderdaan wordt beschouwd, stelt de rechtbank zijn staatloosheid vast. De kostenveroordeling wordt afgewezen omdat de Staat slechts een adviserende rol had.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is omdat Servië hem niet als onderdaan erkent.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-339
Zaaknummer: C/09/687847
Datum beschikking: 21 mei 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 1 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.C. van Krimpen in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 18 september 2025 van de Staat;
  • het bericht van 17 oktober 2025 van verzoeker, met bijlage;
  • het bericht van 4 november 2025 van de Staat;
  • het bericht van 20 maart 2026 van verzoeker, met bijlagen.
Op 9 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoeker bijgestaan door zijn advocaat;
  • mr. S.J. Versteeg namens de Staat.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier:
  • Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , [geboorteland] . Dit ligt in het huidige Servië.
  • In 1997 is verzoeker samen met zijn ouders naar Nederland gevlucht. Verzoeker heeft een asielaanvraag gedaan. De asielaanvraag is niet ingewilligd.
  • In 2004 heeft de Staat aan verzoeker een ongewenstverklaring opgelegd. In 2014 is de ongewenstverklaring opgeheven en heeft de Staat aan verzoeker een inreisverbod opgelegd.
  • De Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: DT&V) heeft verschillende pogingen gedaan om verzoeker uit te zetten.
  • Verzoeker is in het bezit van een kopie van zijn geboorteakte.

Verzoek en het advies van de Staat

Verzoeker verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen dat hij staatloos is en de Staat te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Beoordeling

Vaststelling staatloosheid

Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van dit artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker een onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Identiteit en afstamming van verzoeker
De Staat adviseert de rechtbank om het verzoek tot vaststelling van staatloosheid af te wijzen, omdat verzoeker geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit aantonen. In deze procedure wordt op basis van een juiste identiteit de aannemelijkheid van staatloosheid vastgesteld. Verzoeker heeft enkel een kopie van zijn geboorteakte overgelegd. Naast het feit dat dit een kopie betreft, die niet op echtheid kan worden onderzocht, is een geboorteakte geen identificerend document. Er zijn bij de Staat verder geen documenten bekend waaruit de identiteit van verzoeker blijkt. De Staat stelt zich op het standpunt dat het op de weg van verzoeker ligt om zijn identiteit en afstamming aan te tonen. De Staat verwijst verder naar de werkinstructie 2023/10 ‘Beoordelen Evidente Staatloosheid’. Omdat verzoeker geen officieel document heeft overgelegd dat zijn identiteit aantoont en omdat hij geen pogingen heeft ondernomen om aan identificerende documenten te komen, is er onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen dat verzoeker staatloos is, aldus nog steeds de Staat.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om uit te gaan van de juistheid van de door hem gestelde feiten rond zijn geboorte en afstamming. Verzoeker verwijst in dit verband naar de verblijfsgeschiedenis van zijn familie, de asielgehoren en informatie uit eerdere procedures.
De rechtbank is van oordeel dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid (vgl. de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 [1] ).
De werkinstructie WI 2023/10, waarnaar de Staat verwijst, ziet op bestuursrechtelijke procedures met betrekking tot de registratie in de Basisregistratie personen. Verzoeken op grond van artikel 2 lid 1 van Pro de Wvs hebben echter een ander toetsingskader dan het toetsingskader bij de vaststelling van
evidentestaatsloosheid. De rechtbank is van oordeel dat in de procedure tot vaststelling staatloosheid niet de eis mag worden gesteld dat in ieder geval een (origineel) identiteitsdocument wordt overgelegd. De rechtbank legt dat als volgt uit.
In de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs [2] is opgenomen:
“[…]
Bewijslastverdeling (onderdeel g)
Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit heeft, speelt de vraag hoe moet worden omgegaan met de gebruikelijke regels van Rv over bewijs in de verzoekschriftprocedure (zie artikel 284 Rv Pro: het bewijsrecht uit de negende afdeling van de tweede titel van de Rv is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet). De algemene regels daarin zijn onder meer dat degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de feiten moet stellen en zo nodig bewijzen, tenzij uit een bijzondere regel of de billijkheid iets anders voortvloeit. In de expertmeetings van de ACVZ is uitgebreid gediscussieerd over deze bewijslastverdeling, in die zin dat op de Staat een grotere last komt te liggen via een bijzondere wettelijke bepaling. Men bereikte hierover geen specifieke overeenstemming. In het discussiedocument is opgenomen dat het ten algemene goed zou zijn dat de meest gerede partij bewijs levert. Dit zou volgens de Expertgroep betekenen dat de gesteld staatloze verplicht is naar waarheid te verklaren en alle informatie te leveren waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en dat bij voldoende aannemelijkheid van zijn staatloosheid de Staat aanvullend onderzoek moet doen.
Gelet op de praktijk (ook nu al bij de vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 RWN Pro) is het niet nodig om iets te regelen voor de door de Expertgroep voorgestelde bewijslastverdeling in afwijking van of in aanvulling op Rv. De rechter kan met de algemene regels van Rv voldoende uit de voeten en zal hiermee ook uitkomen op de «meest gerede partij» die geacht wordt met informatie te komen. Het oordeel wie wat bewijst en de uiteindelijke vaststelling van de feiten is aan de rechter voorbehouden. De gesteld staatloze en de IND bepalen met welke documenten en/of verklaringen zij in de procedure komen. Voor de rechter zullen de bewijsmiddelen en hoe deze te waarderen van groot belang zijn. Het Handboek van de UNHCR kan hierbij tot leidraad zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting onder Bewijslastverdeling. […]”
In paragraaf 6.2 is onder het kopje “Bewijslastverdeling” het volgende opgenomen [3] :
“[…] Gezien dit specifieke karakter van de procedure is het van belang dat de rechtbank actief aanstuurt op de rolverdeling die in de vaststellingsprocedure gewenst is. UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord.
Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (artikel 278 Rv Pro) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft.
De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]”
De rechtbank leidt hieruit af dat alle beschikbare informatie voor het bewijs een rol kan spelen bij de beoordeling van de staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank moet beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank moet die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een (origineel) identiteitsdocument niet zonder meer in de weg staat aan vaststelling van de staatloosheid.
Gelet op het voorgaande moet verzoeker zoveel mogelijk stukken in de procedure brengen waaruit zijn identiteit en mogelijke nationaliteit blijkt. De rechtbank zal in het concrete geval al het voorhanden zijnde bewijs in onderlinge samenhang beoordelen, waaronder ook de stukken uit de asielprocedure.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de volgende documenten heeft overgelegd:
  • een kopie van zijn geboorteakte;
  • een kopie van de geboorteakte van zijn ouders;
  • een kopie van een uittreksel uit de Basisregistratie Personen van de [gemeente] van de vader van verzoeker;
  • een kopie van een verklaring afgelegd onder ede op grond van artikel 36 Wet Pro Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van verzoeker bij de gemeente Coevorden.
Verder heeft verzoeker uit de asielprocedure van zijn ouders kopieën van de rapporten eerste gehoor van 5 februari 1997, de rapporten van gehoor van 6 februari 1997 en het rapport nader gehoor van 21 februari 1997 overgelegd. Daarnaast heeft verzoeker laissez-passer verzoeken van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) aan Servië en Kroatië, met daarop foto’s van verzoeker en zijn persoonsgegevens, overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker met de door hem in deze procedure overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien met de gestelde levensloop van verzoeker en het feit dat in de asielprocedure van de ouders van verzoeker niet is getwijfeld aan de identiteit van verzoeker, voldoende heeft onderbouwd dat de persoon van verzoeker dezelfde is als de op de door hem overgelegde documenten. Omdat ook de Staat hieromtrent geen concrete twijfels heeft geuit en de Staat op de zitting bovendien desgevraagd heeft aangegeven geen redenen te hebben om te twijfelen aan de identiteit van verzoeker, is de rechtbank van oordeel dat de identiteit van verzoeker daarmee vaststaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot het beoordelen van de staatloosheid van verzoeker.
Relevante landen
De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om alleen Servië in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt te zijn geboren in [geboorteplaats] , in [geboorteland] , wat in het huidige Servië ligt.
Omdat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit kan hebben verkregen, ziet de rechtbank geen aanleiding om Nederland in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Zoals op de zitting door de Staat is erkend, is er ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verzoeker de Kroatische nationaliteit heeft verkregen en om Kroatië in het oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van Servië beschouwd?
Verzoeker stelt dat hij is geboren in [geboorteplaats] , [geboorteland] en dat hij van Roma afkomst is met een moslim-achtergrond. Verzoeker stelt nooit in het bezit te zijn geweest van een paspoort of identiteitsbewijs. Verzoeker zou met het uiteenvallen van [geboorteland] , het uiteenvallen van de [geboorteland] en de nu geldende nationaliteitswetgeving van Servië in het bezit moeten zijn van de Servische nationaliteit. Verzoeker stelt echter, onder verwijzing naar diverse berichten en rapporten dienaangaande, dat hij vanwege zijn Roma afkomst en de systematische discriminatie van Roma niet in het bezit is van de Servische nationaliteit en dus staatloos is. De Servische autoriteiten erkennen verzoeker ook niet als staatsburger. DT&V heeft meermaals een teruggeleidings- & overnameverzoek bij de Servische autoriteiten ingediend, maar deze verzoeken zijn in 2008, 2011 en 2023 afgewezen, nu noch de vingerafdrukken noch de identiteitsgegevens van verzoeker voorkomen in de registers van Servië.
De Staat heeft aangegeven geen inhoudelijk advies te kunnen geven vanwege het gebrek aan informatie over de persoon van verzoeker.
De rechtbank overweegt en beslist als volgt. Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop.
Op grond van de Wvs wordt de staatloosheid vastgesteld indien de rechtbank niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. In de Memorie van Toelichting bij de Wvs wordt gesproken over de iure staatloosheid. [4] Het VN-verdrag over staatloosheid uit 1954 kent die definitie niet. In de Memorie van Toelichting wordt wel aangesloten bij de definitie van staatloosheid zoals in dat verdrag geformuleerd. Met de iure-staatloosheid in de Wvs wordt bedoeld dat ook in de situatie dat buitenlandse nationaliteitswetten een dode letter vormen of dat blijkt dat een bepaalde bevolkingsgroep, bijvoorbeeld Roma, niet (meer) de nationaliteit bezit van het land waarin die groep is geboren of langdurig heeft gewoond, aanleiding kan geven om de iure staatloosheid aan te nemen. [5] Bij de beoordeling van de vraag wanneer een persoon krachtens de wetgeving van een bepaald land als onderdaan wordt beschouwd, moet dus niet alleen worden gekeken naar de nationale wet- en regelgeving, maar ook hoe dat in de praktijk wordt toegepast.
In het
Handbook on protection of stateless personsis in dat verband onder meer het volgende opgenomen:
Applying this approach of examining an individual’s position in practice may lead to a different conclusion than one derived from a purely formalistic analysis of the application of nationality laws of a country to an individual’s case. A State may not in practice follow the letter of the law, even going so far as to ignore its substance. The reference to “law” in the definition of statelessness in Article 1(1) therefore covers situations where the written law is substantially modified when it comes to its implementation in practice. [6]
(…)
Where the competent authorities treat an individual as a non-national even though he or she would appear to meet the criteria for automatic acquisition of nationality under the operation of a country’s laws, it is their position rather than the letter of the law that is determinative in concluding that a State does not consider such an individual as a national. This scenario frequently arises where discrimination against a particular group is widespread in government departments or where, in practice, the law governing automatic acquisition at birth is systematically ignored and individuals are required instead to prove additional ties to a State. [7]
In ieder geval in 2011 en 2023 heeft DT&V een teruggeleidings- & overnameverzoek gedaan aan de Servische autoriteiten, meer specifiek het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In het kader van het verzoek van 22 september 2011 hebben de Servische autoriteiten op 27 september 2011 het volgende geantwoord:
“Referring to your request for acceptance of [verzoeker] , born op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , the procedure has been conducted and it is established that there is NO obligation of acceptance according to the article 2 of the Agreement and that he CAN NOT be returned to the Republic of Serbia. Explanation: through the check procedures it has been established that this person is not a citizen of the Republic of Serbia. In the database of this Ministry does not exist a person with identical fingerprints that you submitted with the request. We also inform you that the photocopy of international birth certificate is not authentic.”
In het kader van het verzoek van 3 mei 2023 hebben de Servische autoriteiten op 10 mei 2023 het volgende geantwoord:
“Referring to your request for acceptance of [verzoeker] , born op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] the procedure has been conducted and it is established that there IS NO obligation of acceptance according to the article 2 of the Agreement and that he/she CANNOT be returned to the Republic of Serbia. After the performed checks according to all the data from the request, as well after the performed fingerprint checks, it was not determined that he is a citizen of the Republic of Serbia. Please note that the birth certificate extract you sent is not authentic.”
Gesteld noch gebleken is dat verzoeker en/of DT&V meer heeft kunnen doen om een schriftelijke erkenning te krijgen dat hij de Servische nationaliteit bezit.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank daarom tot het oordeel dat gebleken is dat verzoeker door Servië niet als onderdaan van Servië wordt beschouwd. Daarmee kan in het midden blijven of verzoeker op grond van de nationale wet- en regelgeving de Servische nationaliteit zou moeten hebben verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker op grond van artikel 2 Wvs Pro kan worden vastgesteld.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoeker, zoals door verzoeker is verzocht, nu de Staat in deze zaak slechts een adviserende rol heeft.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. de Klerk, A.M. Brakel en H.M. Boone, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van
21 mei 2026.

Voetnoten

2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina 11 en 12.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina 41 en 42.
4.Ter onderscheiding van de facto staatloosheid, een toestand waarin een persoon zich buiten het land waarvan hij de nationaliteit heeft bevindt en hij geen aanspraak kan, of wegens gegronde redenen niet wil, maken op de aan die nationaliteit gekoppelde rechten. Tweede Kamer 2020-2021, 35 687, nr. 3, p. 53.
5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, p. 12.
6.Randnummer 24.
7.Randnummer 37.