ECLI:NL:RBDHA:2025:26744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/681368 / HA RK 25-123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid en bewijslastverdeling in asielprocedures

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven over de staatloosheid van verzoekster. Verzoekster, die in Nederland is aangekomen op 27 januari 2021, heeft een verblijfsvergunning gekregen op basis van de Vreemdelingenwet. Ze verzoekt de rechtbank om haar staatloosheid vast te stellen, maar de Staat der Nederlanden adviseert om het verzoek af te wijzen, omdat verzoekster geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd die haar identiteit kunnen aantonen. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij verzoekster en haar advocaat aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van de Staat. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster geen documenten uit de eerste twee documentgroepen heeft overgelegd, maar dat dit niet noodzakelijk is voor de vaststelling van staatloosheid. De rechtbank heeft de bewijslastverdeling besproken en geconcludeerd dat de verzoeker niet verplicht is om identiteitsdocumenten te overleggen om staatloosheid vast te stellen. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat verzoekster staatloos is, op basis van de overgelegde documenten en haar relaas over haar levensloop. De rechtbank heeft de staatloosheid van verzoekster vastgesteld, waarbij ook de context van de Palestijnse en Syrische nationaliteit is meegenomen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-123
Zaaknummer: C/09/681368
Datum beschikking: 19 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 7 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.O. Abed te Roermond.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te Den Haag,
vertegenwoordigd door: mr. J. Laros.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 5 juni 2025 van de Staat, met bijlagen;
- de brief van 24 juni 2025 van de zijde van verzoekster.
Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, A. Polo, en namens de Staat mr. J. Laros.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is op 27 januari 2021 in Nederland aangekomen.
- De aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingewilligd bij besluit van 5 juli 2021. Deze verblijfsvergunning is geldig van 28 januari 2021 tot 28 januari 2026.

Beoordeling

Juridisch kader en ontvankelijkheid
Verzoekster verzoekt om haar staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was.
De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
De Staat adviseert om het verzoek af te wijzen omdat verzoekster geen document heeft overgelegd dat haar identiteit kan aantonen. De Staat wijst daartoe op zijn werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen. Uit deze werkinstructie volgt dat de Staat voor de registratie van staatloosheid van Palestijnen vereist dat uit drie documentgroepen minimaal één document wordt getoond. Verzoekster heeft alleen documenten uit documentgroep drie overgelegd. Verzoekster heeft geen documenten uit de documentgroepen één (een identiteitsdocument) en twee (een geboorteakte of gelijkwaardig document) overgelegd en daarmee dus geen documenten die haar identiteit aantonen. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon van verzoekster dezelfde is als de persoon op de door haar overgelegde documenten uit documentgroep drie. Daarmee is volgens de Staat ten aanzien van verzoekster geen staatloosheid vast te stellen.
De rechtbank ziet in het standpunt van de Staat aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of het noodzakelijk is dat een document in de zin van de werkinstructie wordt overgelegd om de staatloosheid van verzoekster te kunnen vaststellen.
In de werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen, wordt om de registratie van staatloosheid in Nederland in hoge mate betrouwbaar te maken, gebruik gemaakt van drie documentgroepen:
1. een identiteitsdocument (reisdocument of identiteitskaart);
2. een geboorteakte of een gelijkwaardig document (voor het vaststellen van de afstamming);
3. een aanvullend bewijsstuk waaruit de status van staatloze Palestijn blijkt (zoals de UNRWA registratie).
Bij Palestijnen uit een aantal specifieke landen, waaronder Syrië en de Palestijnse gebieden, wordt door de IND staatloosheid aangenomen als de vreemdeling uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document kan tonen.
In de werkinstructie WI 2023/10 Beoordelen evidente staatlozen wordt hiernaar verwezen. De rechtbank leidt hieruit af dat iemand uitsluitend als
evidentstaatloos wordt aangemerkt indien hij of zij uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document overlegt. In bestuursrechtelijke procedures over de registratie in de Basisregistratie personen is overwogen dat deze werkwijze niet onredelijk voorkomt.
Verzoeken op grond van artikel 2 lid 1 van de Wvs hebben echter een ander toetsingskader dan het toetsingskader bij de vaststelling van
evidentestaatsloosheid. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure staatloosheid niet slechts kan worden vastgesteld als uit de drie documentgroepen minimaal één document is overgelegd en evenmin de eis mag worden gesteld dat in ieder geval een identiteitsdocument wordt overgelegd. De rechtbank legt dat als volgt uit.
In de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs [1] is opgenomen:
“[…]
Bewijslastverdeling (onderdeel g)
Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit heeft, speelt de vraag hoe moet worden omgegaan met de gebruikelijke regels van Rv over bewijs in de verzoekschriftprocedure (zie artikel 284 Rv: het bewijsrecht uit de negende afdeling van de tweede titel van de Rv is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet). De algemene regels daarin zijn onder meer dat degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de feiten moet stellen en zo nodig bewijzen, tenzij uit een bijzondere regel of de billijkheid iets anders voortvloeit. In de expertmeetings van de ACVZ is uitgebreid gediscussieerd over deze bewijslastverdeling, in die zin dat op de Staat een grotere last komt te liggen via een bijzondere wettelijke bepaling. Men bereikte hierover geen specifieke overeenstemming. In het discussiedocument is opgenomen dat het ten algemene goed zou zijn dat de meest gerede partij bewijs levert. Dit zou volgens de expertgroep betekenen dat de gesteld staatloze verplicht is naar waarheid te verklaren en alle informatie te leveren waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en dat bij voldoende aannemelijkheid van zijn staatloosheid de Staat aanvullend onderzoek moet doen.
Gelet op de praktijk (ook nu al bij de vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 RWN) is het niet nodig om iets te regelen voor de door de expertgroep voorgestelde bewijslastverdeling in afwijking van of in aanvulling op Rv. De rechter kan met de algemene regels van Rv voldoende uit de voeten en zal hiermee ook uitkomen op de «meest gerede partij» die geacht wordt met informatie te komen. Het oordeel wie wat bewijst en de uiteindelijke vaststelling van de feiten is aan de rechter voorbehouden. De gesteld staatloze en de IND bepalen met welke documenten en/of verklaringen zij in de procedure komen. Voor de rechter zullen de bewijsmiddelen en hoe deze te waarderen van groot belang zijn. Het Handboek van de UNHCR kan hierbij tot leidraad zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting onder Bewijslastverdeling. […]”
In paragraaf 6.2 is onder het kopje “Bewijslastverdeling” het volgende opgenomen [2] :
“[…] Gezien dit specifieke karakter van de procedure is het van belang dat de rechtbank actief aanstuurt op de rolverdeling die in de vaststellingsprocedure gewenst is. UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord.
Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft.
De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]”
De rechtbank leidt hieruit af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid.
Beoordeling van de overgelegde stukken
Gelet op het voornoemde dient verzoekster zoveel mogelijk stukken in het geding brengen waaruit haar identiteit en mogelijke nationaliteit blijkt. De rechtbank zal in het concrete geval al het voorhanden zijnde bewijs in onderlinge samenhang beoordelen, waaronder ook de stukken uit de asielprocedure.
Verzoekster stelt dat zij een Palestijnse is, geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] , Syrië. Verzoekster is in 1990 gehuwd met [naam] , van Syrische nationaliteit. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren die allen de Syrische nationaliteit bezitten. Verzoekster heeft tot aan haar vlucht in Syrië verbleven. De grootouders van verzoekster (van vaderskant) zijn naar Syrië gevlucht. Zij hebben nooit de Syrische nationaliteit kunnen verkrijgen. De Palestijnse nationaliteit wordt door de Syrische autoriteiten erkend. Verzoekster heeft op basis van afstamming van haar vader de Palestijnse nationaliteit verkregen. Verzoekster heeft naast de Palestijnse nationaliteit nooit een andere nationaliteit verkregen. Verzoekster heeft de Syrische nationaliteit ook niet door het sluiten van haar huwelijk verkregen; zij heeft nimmer een naturalisatieverzoek in Syrië ingediend op grond van haar huwelijk met haar echtgenoot. Verzoekster is via Turkije en Griekenland naar Nederland gereisd en aan verzoekster is een asielbeschikking verstrekt.
Verzoekster staat geregistreerd bij de GAPAR en uit deze registratie blijkt haar afstamming alsmede haar staatloosheid, aldus verzoekster. Verzoekster heeft ter onderbouwing nog aanvullende documenten overgelegd. Verzoekster stelt dat het niet mogelijk is om overige (originele) documenten te overleggen, waaruit blijkt dat zij staatloos is. Verzoekster is niet meer in het bezit van haar paspoort, Palestijnse identiteitskaart, geboorteakte en uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen. Deze documenten zijn verloren gegaan omdat haar woning (waarin de documenten lagen) in Syrië is gebombardeerd tijdens de oorlog. Hierdoor is verzoekster al haar documenten kwijtgeraakt. Van verzoekster kan als vluchteling niet worden verlangd dat zij zich wendt tot de autoriteiten waarvoor zij is gevlucht, waardoor het niet mogelijk is om nieuwe documenten aan te vragen.
Verzoekster is van mening dat de documenten in onderlinge samenhang bezien, samen met de beoordeling in de asielprocedure, maken dat voldoende is onderbouwd dat zij staatloos is.
De Staat stelt dat, nu verzoekster geen identiteitsdocument heeft overgelegd, onvoldoende kan worden vastgesteld dat verzoekster degene is die genoemd is op de door haar overgelegde documenten uit groep drie. De Staat wijst er bovendien op dat de asielprocedure erop gericht is om vast te stellen of een vreemdeling internationale bescherming behoeft. De beoordeling van de geloofwaardigheid/aannemelijkheid is in die procedure dus een andere dan in het geval van vaststelling van de staatloosheid.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster de volgende documenten heeft overgelegd:
  • een kopie van de UNRWA family registration card, waarop de identiteitsgegevens van verzoekster, haar echtgenoot en haar kinderen zijn vermeld;
  • een kopie huwelijksakte, waarop de gegevens van verzoekster en haar echtgenoot zijn vermeld;
  • een kopie van het GAPAR familieboekje van het gezin van haar ouders en een familieboekje van haar eigen gezin, waarop de identiteitsgegevens van alle gezinsleden zijn vermeld.
Bureau Documenten heeft de registration card en de familieboekjes onderzocht en ten aanzien van de echtheid van alle documenten positief geadviseerd.
Aan verzoekster is een asielvergunning verleend en de Staat heeft ter zitting medegedeeld dat de identiteit van verzoekster in de asielprocedure als betrouwbaar is beoordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster met de door haar in deze procedure overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien met het relaas over de levensloop van verzoekster en de beoordeling van de identiteit van verzoekster in de asielprocedure, voldoende heeft onderbouwd dat de persoon van verzoekster dezelfde is als op de door haar overgelegde documenten.
Nu ook de Staat hieromtrent geen concrete twijfels heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de identiteit van verzoekster vaststaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot het beoordelen van de aanknopingspunten met betrekking tot de eventuele nationaliteit van verzoekster.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar oordeel over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt dat zij van Palestijnse afkomst is, dat zij in Syrië is geboren en dat zij daar tot haar vlucht heeft verbleven. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder heeft verkregen.
Voorts is ook niet gebleken dat verzoekster door haar huwelijk is genaturaliseerd.
Uit werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A. Emmens en C.L. Strop, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2025.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 11 en 12
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 41 en 42