Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 26 februari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het '8+8 wekenmodel' wordt een kortere beslistermijn passend geacht nu de bovengrens van 21 maanden is overschreden. Na een nader gehoor op 18 juli 2025 geldt een beslistermijn van vier weken, ingaande de dag na de uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467. De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier A.S. van der Veen en is zonder zitting gewezen.